De wijkagent

Twintig jaar op de Utrechtse tippelzone

De wijkagent van Jan Schoenmaker: Hoe een wijkagent een van de beruchtste tippelzones van Nederland tot een internationaal voorbeeld wist te maken.

Als Jan Schoenmaker in 1992 wordt gevraagd om wijkagent te worden in de Utrechtse wijk Transwijk, weet hij zeker dat hij het niet langer dan een jaar zal doen. Hij wil wel wijkagent zijn, maar niet dáár. In deze wijk ligt namelijk een beruchte tippelzone. Als strenggelovig opgevoede, stugge West-Fries heeft Schoenmaker niets met drugsverslaving en prostitutie. En juist deze problematiek zal nu een belangrijk deel van zijn werk worden.

Dat ene jaar werden er uiteindelijk bijna twintig, een periode waarin de Utrechtse tippelzone met hulp van Schoenmaker verandert van het afvoerputje van de maatschappij in een veilige werkplek voor prostituees, die zelfs in het buitenland als voorbeeld dient. Samen met zijn collega’s en andere instanties slaagt hij erin met intensief contact, veel geduld en af en toe streng optreden zo’n veertig vrouwen uit handen van mensenhandelaren en uit de greep van de verslaving te redden.

In De wijkagent schetst Jan Schoenmaker een wereld van geweld en bedreigingen, van eenzaamheid en uitzichtloosheid, maar ook van bizarre en hilarische voorvallen. Zijn boek is een reis door deze typische jarenzestigwijk en een ode aan zijn bijzondere, veelkleurige inwoners.

Lees meer >

Jan Schoenmaker

Jan Schoenmaker (1950) werkte in totaal zo’n veertig jaar bij de Utrechtse politie, waarvan bijna twintig jaar als wijkagent op de Utrechtse tippelzone.

Meer boeken van deze auteur

Bert Muns

Het verhoor

De kamer waarin ik werd binnengelaten was klein en had vier blinde muren en tl-verlichting. Het meubilair bestond uit een tafel met drie rechte stoelen. Twee aan een kant van de tafel, een aan de andere. De vrouw wees me zwijgend op de ene stoel en ik nam plaats. Ze sloot de deur en ging tegenover me zitten. Ze spreidde de papieren die ze bij zich had zorgvuldig voor zich uit. De blik waarmee ze me aankeek was niet onvriendelijk maar verried geen enkele emotie. 'Mijn collega brengt zo koffie. Intussen wou ik vast beginnen, want mijn tijd is beperkt.'
Ik knikte. Zo goed en zo kwaad als het ging zonder al te brutaal te lijken, nam ik haar op. Dit is ze dus, dacht ik. Waarschijnlijk dacht zij iets soortgelijks, want ze vroeg, na een blik op de paperassen: 'U bent dus Albert Muns, geboren op 28 juli 1960 in Utrecht. Klopt dat?'
'Ja,' zei ik.
'Goed.' Ze schraapte haar keel. Voor haar is dit misschien wel net zo moeilijk als voor mij, dacht ik.
'Ik ben Francien van Anshem, maar dat weet u beter dan ik. U bent niet verplicht op mijn vragen te antwoorden, maar ik raad u aan, als u antwoord geeft, gewoon de waarheid te vertellen. Dat scheelt mij een hoop moeite en ergernis, en met onzinpraatjes maakt u het zichzelf alleen maar lastig.'
Ik haalde mijn schouders op. 'Ik zal mijn best doen, maar zou u me niet eens vertellen waar ik van word verdacht?'
Francien van Anshem leunde achterover en keek me aan. Haar jasje viel een beetje open en ik ving een glimp op van haar schouderholster. Het was leeg. Logisch, dacht ik, het is gevaarlijk om je wapen mee te nemen als je met een verdachte in een afgesloten kamer' zei ze een beetje laatdunkend. Ik schudde mijn hoofd.
'U wordt verdacht van een reeks strafbare feiten, maar waar ik u nu over wil horen, is schending van privacy. Míjn privacy,' voegde ze er na een korte stilte aan toe. Zo, dus daar ging het om.
Een klop op de deur gaf me extra bedenktijd. Francien stond op en pakte een blad met twee bekers koffie aan van een agent in uniform. 'Wil je dat ik erbij blijf?' vroeg hij.
'Nee, dat is niet nodig.'
'Het is geen moeite hoor.'
'Nee,' antwoordde ze. 'Dit doe ik liever alleen.'
Jammer, dacht ik. Met een derde erbij zou ze vast niet zoveel details durven vragen. Maar de deur ging alweer dicht. De kamer was zo klein, dat ze zich langs me moest wringen. Ze rook lekker, maar dit was niet het moment voor dergelijke gedachten. Ik zette ze gauw van me af en nam een slok van mijn koffie.
'Waarom heb ik van dat belachelijke rode haar?' vroeg ze plompverloren. Ik was totaal verrast. Voor mij was het doodgewoon dat ze rood haar had, en ik had nooit beseft dat zij ermee zat.
'Ik eh... ik vond het mooi,' stamelde ik.
'Hm,' zei ze, en ze maakte een aantekening. 'Heeft u er ooit bij stilgestaan dat ik ermee gepest zou kunnen worden?'
'Nee, eerlijk gezegd niet. Trouwens, over uw jeugd heb ik het bijna nooit en uw vorige vriend vond het ook mooi.'
'Ja, jullie zouden het vast goed kunnen vinden samen,' zei ze laatdunkend. 'En waarom moest Julien helemaal in Frankrijk wonen?' voegde ze eraan toe. Aan haar blik te zien was ze het daar ook niet mee eens.
'U hebt nooit over de vakanties hoeven na te denken,' antwoordde ik. 'En het gaf de eerste twee boeken toch mooi iets extra's.'
'Eigenbelang dus,' concludeerde Francien van Anshem. 'Want dat het uit zou gaan wist u ook van tevoren.'
'Op dit moment bent u gelukkig,' stelde ik vast.
'Ja,' zei ze met een zucht. 'Maar hoe lang zal dat duren?'
'Dat hangt van uzelf af,' zei ik. 'Dat hangt van u af.'
Ik zweeg, ze had gelijk en we wisten het allebei. Ze raadpleegde haar aantekeningen. 'Hoe bent u er eigenlijk bij gekomen om te gaan schrijven?' vroeg ze, alsof het haar werkelijk verbaasde.
'Politiemensen, uw en mijn collega's, vonden mijn verhalen goed genoeg voor een boek. Daarvan zijn er inmiddels vier en ik vind het nog steeds leuk.'
'Ik wilde even met u teruggaan naar De Sluipschutter, zei ze na een korte stilte. 'U herinnert zich dat boek?'
'Heel goed zelfs. Het heeft ons een nominatie opgeleverd voor de Gouden Strop. Bent u niet trots?' vroeg ik aarzelend.
'Absoluut niet. Het had mij bijna de kop gekost en mijn ribben voel ik nog steeds af en toe.'
'Dat spijt me,' zei ik oprecht.
'Waarom kom ik toch steeds in dat soort situaties terecht?' vroeg ze. 'Anderen beleven nooit iets en bij mij is het iedere dienst raak. Sterker nog, zelfs als ik vrij ben, of ziek thuis, is het hommeles.'
'Het zit in uw karakter,' zei ik. 'U gaat door, waar anderen zouden stoppen. Tot nu toe heeft u al uw zaken opgelost, juist dankzij die eigenschap.'
'Bent u zich ervan bewust dat het strafbaar is, wat u doet?' vroeg ze, achterover leunend. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden en antwoordde met een glimlach: 'Voor een schrijver niet.'
'Ik heb geen ogenblik rust. Zelfs in mijn huis, in mijn slaapkamer kijkt u mee.'
'Wees blij,' zei ik. 'Dan kan ik af en toe nog wat bijsturen.'
'U brengt mensen bewust in gevaarlijke situaties, waarvan u weet dat ze zich er niet, of alleen met de grootste moeite uit zullen redden...'
'Dat weet ik niet,' onderbrak ik haar. 'Voor mij is de afloop vaak net zo onzeker als voor mijn personages.'
'Ja, dat is te merken ook,' zei ze schamper. 'Neem het einde van 'Vormfout'.'
'Wat is daar mis mee?' vroeg ik strijdbaar. Als ze aan mijn boeken kwam, kon ze op flinke tegenstand rekenen.
'Eén verdachte loopt nog steeds vrij rond. En voor mij was het toch een soort therapie, die zaak? Nou, na afloop was ik nog net zo gefrustreerd als in het begin.'
'Ik denk dat u er veel sterker uit bent gekomen. Zonder Vormfout was u nooit rechercheur in Utrecht geworden.'
Francien van Anshem zweeg. Punt voor mij, dacht ik. Ze veegde de papieren op een hoop. 'Ik maak hiervan proces-verbaal op,' zei ze. 'Al vraag ik me af waarom, want u weet het toch altijd beter. Intussen gaat u terug naar uw cel en dan hoort u wel weer van mij.'
En de lezers van u, dacht ik terwijl ik opstond. Maar ik zei het niet hardop, want ik was dieper onder de indruk van mijn eigen creatie, dan ik ooit had kunnen vermoeden.

Bert Muns werd in 1960 geboren in Utrecht. Na het VWO ging hij werken bij de Amsterdamse politie en studeerde in deeltijd Rechten in Utrecht. Na een serie korte verhalen over politiewerk, bestemd voor de politie-opleiding, begon hij in 1992 aan zijn eerste politieroman, die in 1994 werd gepubliceerd. Zijn tweede roman, De Sluipschutter, werd in 1996 genomineerd voor de Gouden Strop. In 1998 kwam zijn derde roman uit, onder de titel Vormfout.

Als scenarioschrijver en regisseur bij het Bureau Mediatoepassing van de Amsterdamse politie heeft Bert Muns inmiddels tientallen video-producties over alle facetten van het politiewerk op zijn naam staan.
Bert Muns woont met vrouw, kinderen en kat in Weesp, waar hij momenteel werkt aan zijn vierde politieroman.

Hij is te bereiken via het volgende e-mailadres: a.muns@hccnet.nl

Meer boeken van deze auteur
21,99

Je bestelt en rekent af bij:

  • Boekenwereld.com: onze eigen boekwinkel
  • Veilig winkelen, bestellen en betalen
  • Regelmatig gratis e-books
Bindwijze
paperback
  • Taal: Nederlands
  • ISBN: 9789026350443
  • Pagina's: 256
  • Publicatiedatum: 20-08-2020
Niet op voorraad

Gratis verzending

Op werkdagen voor 21.00 besteld, volgende werkdag in huis (NL)

Je bestelt en rekent af bij:

  • Boekenwereld.com: onze eigen boekwinkel
  • Veilig winkelen, bestellen en betalen
  • Regelmatig gratis e-books

Thuiswinkel waarborg

Onze veilige betaalmethoden:
  • Ideal
  • Mastercard
  • VISA
  • Bancontact
  • AfterPay

Bekijk de inhoud van dit boek ➔

De wijkagent van Jan Schoenmaker: Hoe een wijkagent een van de beruchtste tippelzones van Nederland tot een internationaal voorbeeld wist te maken.

Als Jan Schoenmaker in 1992 wordt gevraagd om wijkagent te worden in de Utrechtse wijk Transwijk, weet hij zeker dat hij het niet langer dan een jaar zal doen. Hij wil wel wijkagent zijn, maar niet dáár. In deze wijk ligt namelijk een beruchte tippelzone. Als strenggelovig opgevoede, stugge West-Fries heeft Schoenmaker niets met drugsverslaving en prostitutie. En juist deze problematiek zal nu een belangrijk deel van zijn werk worden.

Dat ene jaar werden er uiteindelijk bijna twintig, een periode waarin de Utrechtse tippelzone met hulp van Schoenmaker verandert van het afvoerputje van de maatschappij in een veilige werkplek voor prostituees, die zelfs in het buitenland als voorbeeld dient. Samen met zijn collega’s en andere instanties slaagt hij erin met intensief contact, veel geduld en af en toe streng optreden zo’n veertig vrouwen uit handen van mensenhandelaren en uit de greep van de verslaving te redden.

In De wijkagent schetst Jan Schoenmaker een wereld van geweld en bedreigingen, van eenzaamheid en uitzichtloosheid, maar ook van bizarre en hilarische voorvallen. Zijn boek is een reis door deze typische jarenzestigwijk en een ode aan zijn bijzondere, veelkleurige inwoners.

Jan Schoenmaker

Jan Schoenmaker (1950) werkte in totaal zo’n veertig jaar bij de Utrechtse politie, waarvan bijna twintig jaar als wijkagent op de Utrechtse tippelzone.

Meer boeken van deze auteur

Bert Muns

Het verhoor

De kamer waarin ik werd binnengelaten was klein en had vier blinde muren en tl-verlichting. Het meubilair bestond uit een tafel met drie rechte stoelen. Twee aan een kant van de tafel, een aan de andere. De vrouw wees me zwijgend op de ene stoel en ik nam plaats. Ze sloot de deur en ging tegenover me zitten. Ze spreidde de papieren die ze bij zich had zorgvuldig voor zich uit. De blik waarmee ze me aankeek was niet onvriendelijk maar verried geen enkele emotie. 'Mijn collega brengt zo koffie. Intussen wou ik vast beginnen, want mijn tijd is beperkt.'
Ik knikte. Zo goed en zo kwaad als het ging zonder al te brutaal te lijken, nam ik haar op. Dit is ze dus, dacht ik. Waarschijnlijk dacht zij iets soortgelijks, want ze vroeg, na een blik op de paperassen: 'U bent dus Albert Muns, geboren op 28 juli 1960 in Utrecht. Klopt dat?'
'Ja,' zei ik.
'Goed.' Ze schraapte haar keel. Voor haar is dit misschien wel net zo moeilijk als voor mij, dacht ik.
'Ik ben Francien van Anshem, maar dat weet u beter dan ik. U bent niet verplicht op mijn vragen te antwoorden, maar ik raad u aan, als u antwoord geeft, gewoon de waarheid te vertellen. Dat scheelt mij een hoop moeite en ergernis, en met onzinpraatjes maakt u het zichzelf alleen maar lastig.'
Ik haalde mijn schouders op. 'Ik zal mijn best doen, maar zou u me niet eens vertellen waar ik van word verdacht?'
Francien van Anshem leunde achterover en keek me aan. Haar jasje viel een beetje open en ik ving een glimp op van haar schouderholster. Het was leeg. Logisch, dacht ik, het is gevaarlijk om je wapen mee te nemen als je met een verdachte in een afgesloten kamer' zei ze een beetje laatdunkend. Ik schudde mijn hoofd.
'U wordt verdacht van een reeks strafbare feiten, maar waar ik u nu over wil horen, is schending van privacy. Míjn privacy,' voegde ze er na een korte stilte aan toe. Zo, dus daar ging het om.
Een klop op de deur gaf me extra bedenktijd. Francien stond op en pakte een blad met twee bekers koffie aan van een agent in uniform. 'Wil je dat ik erbij blijf?' vroeg hij.
'Nee, dat is niet nodig.'
'Het is geen moeite hoor.'
'Nee,' antwoordde ze. 'Dit doe ik liever alleen.'
Jammer, dacht ik. Met een derde erbij zou ze vast niet zoveel details durven vragen. Maar de deur ging alweer dicht. De kamer was zo klein, dat ze zich langs me moest wringen. Ze rook lekker, maar dit was niet het moment voor dergelijke gedachten. Ik zette ze gauw van me af en nam een slok van mijn koffie.
'Waarom heb ik van dat belachelijke rode haar?' vroeg ze plompverloren. Ik was totaal verrast. Voor mij was het doodgewoon dat ze rood haar had, en ik had nooit beseft dat zij ermee zat.
'Ik eh... ik vond het mooi,' stamelde ik.
'Hm,' zei ze, en ze maakte een aantekening. 'Heeft u er ooit bij stilgestaan dat ik ermee gepest zou kunnen worden?'
'Nee, eerlijk gezegd niet. Trouwens, over uw jeugd heb ik het bijna nooit en uw vorige vriend vond het ook mooi.'
'Ja, jullie zouden het vast goed kunnen vinden samen,' zei ze laatdunkend. 'En waarom moest Julien helemaal in Frankrijk wonen?' voegde ze eraan toe. Aan haar blik te zien was ze het daar ook niet mee eens.
'U hebt nooit over de vakanties hoeven na te denken,' antwoordde ik. 'En het gaf de eerste twee boeken toch mooi iets extra's.'
'Eigenbelang dus,' concludeerde Francien van Anshem. 'Want dat het uit zou gaan wist u ook van tevoren.'
'Op dit moment bent u gelukkig,' stelde ik vast.
'Ja,' zei ze met een zucht. 'Maar hoe lang zal dat duren?'
'Dat hangt van uzelf af,' zei ik. 'Dat hangt van u af.'
Ik zweeg, ze had gelijk en we wisten het allebei. Ze raadpleegde haar aantekeningen. 'Hoe bent u er eigenlijk bij gekomen om te gaan schrijven?' vroeg ze, alsof het haar werkelijk verbaasde.
'Politiemensen, uw en mijn collega's, vonden mijn verhalen goed genoeg voor een boek. Daarvan zijn er inmiddels vier en ik vind het nog steeds leuk.'
'Ik wilde even met u teruggaan naar De Sluipschutter, zei ze na een korte stilte. 'U herinnert zich dat boek?'
'Heel goed zelfs. Het heeft ons een nominatie opgeleverd voor de Gouden Strop. Bent u niet trots?' vroeg ik aarzelend.
'Absoluut niet. Het had mij bijna de kop gekost en mijn ribben voel ik nog steeds af en toe.'
'Dat spijt me,' zei ik oprecht.
'Waarom kom ik toch steeds in dat soort situaties terecht?' vroeg ze. 'Anderen beleven nooit iets en bij mij is het iedere dienst raak. Sterker nog, zelfs als ik vrij ben, of ziek thuis, is het hommeles.'
'Het zit in uw karakter,' zei ik. 'U gaat door, waar anderen zouden stoppen. Tot nu toe heeft u al uw zaken opgelost, juist dankzij die eigenschap.'
'Bent u zich ervan bewust dat het strafbaar is, wat u doet?' vroeg ze, achterover leunend. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden en antwoordde met een glimlach: 'Voor een schrijver niet.'
'Ik heb geen ogenblik rust. Zelfs in mijn huis, in mijn slaapkamer kijkt u mee.'
'Wees blij,' zei ik. 'Dan kan ik af en toe nog wat bijsturen.'
'U brengt mensen bewust in gevaarlijke situaties, waarvan u weet dat ze zich er niet, of alleen met de grootste moeite uit zullen redden...'
'Dat weet ik niet,' onderbrak ik haar. 'Voor mij is de afloop vaak net zo onzeker als voor mijn personages.'
'Ja, dat is te merken ook,' zei ze schamper. 'Neem het einde van 'Vormfout'.'
'Wat is daar mis mee?' vroeg ik strijdbaar. Als ze aan mijn boeken kwam, kon ze op flinke tegenstand rekenen.
'Eén verdachte loopt nog steeds vrij rond. En voor mij was het toch een soort therapie, die zaak? Nou, na afloop was ik nog net zo gefrustreerd als in het begin.'
'Ik denk dat u er veel sterker uit bent gekomen. Zonder Vormfout was u nooit rechercheur in Utrecht geworden.'
Francien van Anshem zweeg. Punt voor mij, dacht ik. Ze veegde de papieren op een hoop. 'Ik maak hiervan proces-verbaal op,' zei ze. 'Al vraag ik me af waarom, want u weet het toch altijd beter. Intussen gaat u terug naar uw cel en dan hoort u wel weer van mij.'
En de lezers van u, dacht ik terwijl ik opstond. Maar ik zei het niet hardop, want ik was dieper onder de indruk van mijn eigen creatie, dan ik ooit had kunnen vermoeden.

Bert Muns werd in 1960 geboren in Utrecht. Na het VWO ging hij werken bij de Amsterdamse politie en studeerde in deeltijd Rechten in Utrecht. Na een serie korte verhalen over politiewerk, bestemd voor de politie-opleiding, begon hij in 1992 aan zijn eerste politieroman, die in 1994 werd gepubliceerd. Zijn tweede roman, De Sluipschutter, werd in 1996 genomineerd voor de Gouden Strop. In 1998 kwam zijn derde roman uit, onder de titel Vormfout.

Als scenarioschrijver en regisseur bij het Bureau Mediatoepassing van de Amsterdamse politie heeft Bert Muns inmiddels tientallen video-producties over alle facetten van het politiewerk op zijn naam staan.
Bert Muns woont met vrouw, kinderen en kat in Weesp, waar hij momenteel werkt aan zijn vierde politieroman.

Hij is te bereiken via het volgende e-mailadres: a.muns@hccnet.nl

Meer boeken van deze auteur