Lees het eerste hoofdstuk van ‘De schilder die de vrouw verslindt’ van Kamel Daoud

15 juli 2019

‘Parijs is een heilige, witte steen’

Erotiek is een jagersrite. Deze reusachtige stad is een koude steen in de winter. Een ordening van de wereld waarin het gele licht de functie van textiel vervult en de bruggen zich voordoen als schouders of heupen; de gebouwen zijn toegekeerde ruggen. In dure wijken vertonen de etalages borsten en lichamen om van te dromen. De talrijke, reusachtige affiches wakkeren de begeerte aan. De winter is in aantocht, maar ondanks de kou is de huid op de afbeeldingen naakt, en de reclames tonen vrouwen die onafgebroken glimlachend op je wachten. Voor wie uit het zuiden van de wereld komt is Parijs het paradijs, el Firdaous; maar door je argwaan, je andersheid of je armoede verlies je er je lichaam, je recht op genot, je geslacht en je warmte. Het is alsof je door de Hof van Eden loopt, maar ongerust, onzeker of God je wel zal belonen. Het oordeel is niet het laatste, het is permanent. De houris – de vrouwen die je na de dood beloofd worden voor je ontberingen en je fanatisme, die eenzaam door het Paradijs dwalen, opgemaakt, werkeloos, verstild in eeuwige jeugd – wijzen je af, en als je langsloopt slaan ze hun grote oogleden neer over hun pauwenleven. De etalages zijn gebeden, maar niet de jouwe, en niet tot jou gericht. Hier knielt men om te verdwijnen in de mond van de metro. Een mond die niemand kust of te veel mensen tegelijk. Men bidt door de handen om lussen te vouwen. Als ik aankom in Parijs, weet ik niet wat ik met mijn blik aan moet: ik weet niet waarop ik hem moet laten rusten. Ik zou hem in mijn zak willen steken, onder mijn oksel willen bewaren, wegbergen; ik zou blind en beleefd willen worden, maar mijn blik fladdert weg. Ik ben niet gewend aan de wereld van het beeld en ik kijk naar alles. Naar afbeeldingen, omhelzingen, ellende, parfums, affiches en reflecties. Ik wil het Westen bezitten, maar dat kan ik niet. In oktober bloeit Parijs op, het wordt bijna pijnlijk, maar het neemt je niet in vertrouwen. Ze is als een treurende vrouw die je op de rug ziet. Ze laat zich zakken, en zo vindt ze een manier om niet op dezelfde hoogte te zijn als jij. Ik neem het de stad niet kwalijk. Ik behoor niet tot die klagers die het Westen allerlei verwijten maken. Nee, ik ben hier als een middeleeuwse kopiist, als dief van mogelijkheden en gezichtspunten. ’s Nachts bestaat deze stad uit neon en geschiedenis, taxi’s en kathedralen, een vrouw en een man van hetzelfde geslacht die niet weten wat te doen. Het is een paradijs waar je begrijpt dat je de heilige oorlog voor niets hebt gevoerd, dat de houris maar illustraties zijn, dat de rivieren niet van wijn zijn, maar je er wel toe kunnen aanzetten om in een bistro te gaan drinken.

Vannacht is de nacht die ik heb uitgekozen voor mijn nacht in het Musée Picasso. Ik kom aan met de taxi, met een rugzak op, tien minuten te vroeg. De grootste angst van de dolende ‘Arabier’ in het Westen: wat doe je met een overschot aan tijd? Doelloos rondlopen is niet meer zo gemakkelijk in dit tijdperk van aanslagen. Rondwandelen is bijna even erg als moorden, of op zijn minst als dreigen of bekokstoven. Voor de vreemdeling is doen alsof een verloren kunst of een probleem. Ik besloot de wijk te verkennen. Heel ouderwets. En ik liep tien minuten door het nachtelijke geel van de straatverlichting. Op en neer door de rue de Thorigny. Wat doet een profeet die tien minuten voor het visioen aankomt? Als je tien minuten te laat bent kun je een gebed bedenken, of het boek Job. Maar tien minuten te vroeg? Ik weet het niet. Geen antwoord. Mijn vrouw, hoogzwanger, wacht in het appartement dat we in het veertiende arrondissement hebben gehuurd. Ze weet dat ik laat thuiskom. Dat ik haar met duizend vrouwen zal bedriegen. Grootspraak en verdraaiing. Zie ik ertegen op? Nee. Ik hou van de momenten dat ik met mijn tenen andermans terrein kan beroeren, het terrein van kunst en betekenis. Dat doe ik al sinds ik in een dorp in Algerije werd geboren en ik in de zwijgende randgebieden van een verboden taal las. Ik ben er dol op om over de maan te lopen en de wereld opnieuw in te richten. Ik weet dat ik een visie met me meedraag die in het slechtste geval het woord van me zal overnemen wanneer ik het verslag van mijn heilige nacht schrijf. ‘Arabieren’ zijn als een vergrijsde, praatgrage aristocratie. We kunnen maar niet erkennen dat we onze prominente plaats in de wereld zijn kwijtgeraakt. En dus wordt het verhaal over de gouden tijd, de dagen van weleer, steeds langer; het verteert onze resten en lichamen en geeft ons een air van trots, zelfs als we geen schoenen hebben. Een oude aristocraat kan de geschiedenis beter vertellen, want zijn taal heeft miljard nuances en hij heeft alle tijd: hij heeft niets anders te doen dan becommentariëren. Hij kan zijn verloren land beschrijven als een perfecte appel. Of andersom. De ware profeet van de ‘Arabische’ landen is Jeremia, niet Mohammed. Maar goed. Mijn heilige nacht ligt nu dus voor mijn voeten, ik bel aan en ik word binnengelaten. De dame die opendoet is een en al argwaan. Ze werkt in het museum en is niet op de hoogte van een afspraak dat ik een roversblik op de werken van haar meester mag werpen. Ze belt, vraagt na, en uiteindelijk komt alles goed. Ik was gewoon te vroeg. Ik word verzocht te wachten in de foyer, een koude foyer, naakt en verlaten, met een grote trap die wegloopt en je negeert. Het ergste voor een genie is zijn tempel. Zijn monument, bedoel ik daarmee. Als ik de binnenplaats oversteek, besef ik eens te meer dat ik niet van relieken hou. Of die nu de vorm van stenen, gezichten of folklore hebben. Ze lijken te veel op gebeden of geladen stiltes. Je voelt dat het de bedoeling is dat je een duidelijk omschreven houding of denkwijze aanneemt. Voor mij lijkt dat te zeer op een gebed om draaglijk te zijn.

In de Traditie wordt gezegd dat de profeet een ‘heilige nacht’ heeft doorgemaakt waarin hij met de snelheid van het licht van Mekka naar Jeruzalem reisde (de Nachtreis) om daarna de zeven hemelen te bezoeken die als een wolkenkrabber op elkaar gestapeld zijn (de Hemelvaart). Nog steeds volgens de Traditie hoorde hij in de zevende hemel het gekras van de pennen die het lot schrijven. Ik ben dol op die metafoor: die maakt van het einde van iedere reis een manuscript, met als afsluiting een ontmoeting met de scribent of een ijverige hand. In een andere heilige nacht werd de Koran aan Hem geopenbaard. Beide nachten hebben een merkwaardige eigenschap: gemeten naar ons aardse bestaan duurden ze duizend jaar, zegt de Koran. Toen Mohammed op de rug van een schuw dier de hemelgewelven afreisde, ontmoette hij profeten en gezanten. Ieder van hen vertelde over zijn ervaringen, zijn leven, zijn eeuwigheid, zijn boodschap. Ik voel me alsof ik in Picasso’s hemel ben, maar alleen in Parijs. In zijn eerste of tweede hemel misschien, waar ik de schilder met de hautaine blik aantref te midden van de hemellichamen die hij met zijn bronzen tenen, zijn artefacten en verrijzenissen beroert. De man met het hoge voorhoofd, wiens genialiteit zijn ijdelheid schoonwast, zal me iets meer vertellen over de reden dat hij zijn houris nu al heeft verslonden, voordat het laatste oordeel is aangebroken, en hoe hij Gods schepping, het menselijk lichaam, ongedaan heeft gemaakt, tot nul heeft gereduceerd; hoe hij is teruggekeerd van de zondeval naar de Bijbelse vrucht en van de vrucht naar het aandachtige kauwen. O, had hij maar een glimp kunnen opvangen van de betekenis van zijn werk in de wereld waarin ik geboren ben! Een Picasso van de Syrische Guernica, een schilder wiens handen uit angst werden afgehakt. Een ‘ontsluieraar’ tegen de sluier. Een man die de geschiedenis van de vrouw vanuit zijn paleis kon vertellen. Een spottende, perverse heilige. Hoofdzaak is dat ik naar dit museum ben gestuurd om het erotische dagboek te bekijken van een man van in de vijftig, die een vrouw had ontmoet die half   zo oud was als hij, en van wie hij een heilige maaltijd en een pornografische martelaar maakte.

In de foyer staat een soort haan onder glas. De vriendelijke suppoosten leggen me uit hoe ik me door het paleis kan voortbewegen, wie ik moet bellen, hoe laat de ‘Arabische’ estheet zijn rondes kan maken. Bij de centrale trap: een veldbed, een picknickmand en een hele nacht om te bidden of te luisteren. Eerst word ik wegwijs gemaakt in de erotische tentoonstelling. Een verleidelijke titel: Picasso 1932, année érotique. Het wordt een lange nacht, die in de tijd van mijn land duizend uur zal duren. Het is koud in de zalen, de muren zijn zo wit als de doodlopende weg naar het hiernamaals en de doeken zijn onleesbare, voorgekauwde sterren. Ik heb de uitnodiging om één reden aangenomen: erotiek is een spil in mijn beeld van de wereld en mijn cultuur. Religies zijn boekverbrandingen van het lichaam, en in de duistere daad van het erotisch verslinden hoop ik het absolute bewijs te kunnen vinden dat we het zonder hemelen, boeken en tempels kunnen stellen. Erotiek is de eeuwigheid van de mens, het bewijs dat het hiernamaals een lichaam is dat je kunt aanraken en in je buik kunt voelen, hier en niet ‘hierna’, dat de zin van de wereld te maken heeft met mijn omhelzingen, en dat alle kunst een herinnering is aan een moment, het reikhalzen naar een mond, een spleet of een Elders. In mijn leven is erotiek al heel lang een sleutel voor het begrip van het heelal, mijn knopen, de dodelijke impasses van mijn wereld, gewelddaden die tegen mij gericht zijn of die ik in stand hou. De monotheïstische godsdiensten willen mijn seksualiteit zo graag aanvallen, omdat het een werktuig is waarmee ik zonder hen, in weerwil van hun wensen en wetten, verlossing kan vinden. Het is mijn vermogen en mijn boetvaardige mysterie. Ik diep het uit, het diept mijn buik uit. Picasso is een halte op deze reis door de hemelen van de zinnen. Ik zal hem uithoren, ik zal rondlopen in zijn huid die zo strak staat als een doek in de wind, ik zal rondgraven in zijn kleurige onrust. Een bevroren storm onder glas, een gestolde beroering. En dus laat ik een stilte neerdalen, wis ik mijn schrijfplanken uit, zet ik mijn vrees opzij en bekijk ik deze doeken, een voor een, alsof het verzen zijn.

 

Vanaf 8 augustus verkrijgbaar.