De ondergaande zon legt een gouden gloed over de eucalyptusbomen langs de zandweg van Broad Arrow naar Ora Banda. Ik trap het gaspedaal nog wat dieper in, kijk in de achteruitkijkspiegel, en constateer tevreden dat mijn oude Toyota Land Cruiser fraaie, wild opbollende stofwolken opwerpt.
Ik hou een geopend, koud blikje bier tussen mijn benen geklemd.
Het nieuwsbulletin van het lokale radiostation meldt dat de goudprijs vandaag weer een record heeft gebroken… AC/DC staat op en ik draai de volumeknop vol open.
‘It’s a long way to the top...’
En ja, verdomd, ik verzin het niet, zodra ik een scherpe bocht in de verlaten zandweg neem, springen er twee kangoeroes in de berm voorbij.
Veel beter dan dit wordt het leven in de Australische outback niet.
En toch... toch heb ik vandaag weer een kutdag gehad. Waarom? De hele dag heb ik met mijn metaaldetector door de bush gelopen. Op zoek naar goud. Maar: niks gevonden. Wéér niks gevonden. Nou ja, niks, dat is niet helemaal waar. Ik diep genoeg roestige spijkers, hagelkogeltjes en platgestampte bierblikjes op. Maar geen goud. Weken doe ik dit nu al en ik raak met de dag meer ontmoedigd. Deze ochtend had ik na een halfuurtje zoeken een pracht van een target te pakken. Whap-whep, deed mijn Minelab GPX4000, een van de beste metaaldetectoren ter wereld. Whâââp-whèèèp! En ik begon te graven.
Als je weken met zo’n metaaldetector hebt gewerkt, begin je langzaam maar zeker de geluiden van zo’n apparaat te herkennen. Als je maar lang genoeg volhoudt, dan zou je op een zeker moment het onderscheid moeten kunnen horen tussen een kroonkurk, een stukje ijzerdraad en… een goudklompje. En deze whap-whep betrof, dat wist ik zeker, goud. Het was een vol, rond geluid. Een warme, zachte klank. Niet de snerpende, opdringerige toon van oud ijzer.
En dus hakte ik met mijn pikhouweel in de okerkleurige Australische aarde. Meestal zit het gezochte niet dieper dan enkele centimeters, en ben je er snel achter dat het metaal dat de metaaldetector signaleert rotzooi betreft. Nietjes bijvoorbeeld kom je vreemd genoeg overal in de goudvelden van Australië tegen. Of kogelhulzen en natuurlijk lege blikjes, talloze lege blikjes – waarvan er vele al sinds de gold rushes van de negentiende eeuw liggen weg te roesten.
Maar dit klonk niet als rotzooi.
Ik groef en groef, het gat werd dieper en dieper en de whâââp-whèèèp luider en luider. De detector begon te ‘gillen’, zoals oude rotten in het vak dat noemen, wat betekent dat het gezochte een behoorlijke omvang heeft en dat je het bijna te pakken hebt. Nog één keer met de pikhouweel in het gat... en daar zag ik iets glimmen.
Een blikje, godverdomme. Emu Export nog wel, het smerigste bier van Australië.
Hoe dat bierblikje daar, bijna een halve meter onder de rode aarde, terecht was gekomen, ik weet het niet. Maar zo gaat het elke keer: telkens overtuig ik mezelf dat ik nu toch echt goud op het spoor ben, steeds weer is het rotzooi.
Terwijl het een paar maanden eerder toch zo veelbelovend was begonnen.