|
| |
‘Ik haat je. Veel liefs’
Het aanbrengen van twee verhaallijnen, een waarin de schrijver zichzelf presenteert en zich verbindt aan zijn onderwerp, en een andere waarin het onderwerp van de geschiedenis zelf tot leven komt, heeft bij familiegeschiedenissen een groot voordeel. Er ontstaat een psychologische afstand tussen de schrijver en zijn onderwerp. De schrijver kan reflecteren op het verleden, kritiek leveren, vragen stellen. Soms is die afstand hard nodig. Neem Wij drieën van de Britse schrijfster Julia Blackburn. Zij is het enige kind van Thomas Blackburn, een dichter en alcoholist die als gevolg van zijn medicijnverslaving zeer gewelddadig kon worden. Maar hij hield van zijn dochter en zijn dochter hield van hem. ‘Ik haat je papa. Veel liefs, Julia’, schreef ze hem op zesjarige leeftijd. Blackburn schrijft met mededogen over haar vader. Over zijn jeugd bijvoorbeeld, waarin Thomas’ vader, een kleurling, ’s avonds het gezicht van zijn zoon met een mengsel van citroensap en bleekmiddel insmeerde omdat zijn huid te donker zou zijn. Of over het vreselijke apparaat dat ’s nachts om zijn penis werd geklemd, om natte dromen te voorkomen. Julia schrijft het zo op dat je begrip voor hem krijgt, en zelfs medelijden. Haar vader was een onmachtige man. Door haar vader heeft Julia zich nooit bedreigd gevoeld, zelfs niet als hij razend was, maar voor haar moeder, kunstschilder Rosalie de Meric, was ze daarentegen altijd doodsbang. Objectief gezien was haar moeder een prima mens: zelden dronken, niet verslaafd aan pillen, en zelfs prettig in de omgang, zo schrijft Blackburn in de eerste pagina’s van haar boek. Maar deze moeder betrekt haar dochter van jongs af aan in haar seksuele obsessies. En die gaan vér. Ze laat naaktfoto’s van zichzelf zien, toont haar aambeien en wil Julia demonstreren hoe masturbatie in zijn werk gaat. Ook vertelt ze Julia met enige regelmaat dat het moederschap haar leven en vooral haar lichaam heeft verpest. Als haar moeder eenmaal op haar sterfbed ligt, ze is dan tweeëntachtig, keert de verhouding tussen moeder en dochter ten goede: ‘En toen ze bijna aan haar eind was en haar stem zo traag en zwaar was dat hij van de bodem van een put leek te komen, zei mijn moeder: ‘Nu kun je over mij schrijven, niet?’ Tijdens de laatste maand van haar moeders leven hield Blackburn een dagboek bij. Ook stuurde ze regelmatig faxen aan Herman, de Nederlander met wie ze eerder een relatie had en die later haar echtgenoot zou worden. Die teksten vormen de rode draad van het verhaal. Ze creëren afstand tussen ‘toen’ en ‘nu’, tussen het zwaar verwaarloosde kind van destijds, en de volwassen vrouw die voor haar stervende moeder zorgt. Dat brengt evenwicht in het verhaal. Er is een volwassen Julia, die kan terugkijken op haar eigen geschiedenis. En er is een kleine Julia, die langzaam groter wordt en zonder zelfbeklag haar ervaringen beschrijft. De twee verhaallijnen geven de schrijfster ook gelegenheid om spanning in het verhaal aan te brengen. Zo schrijft ze in een van de eerste hoofdstukken per fax aan Herman dat ze een notitieboekje heeft gevonden van haar moeder. In dat boekje staat: ‘Ik zal Julia nooit, nooit, nooit, vergeven voor wat er gebeurd is in 1966.’ ‘Nooit’ staat drie keer onderstreept. In een volgend hoofdstuk vermeldt Blackburn dat ze deze bewuste pagina uit het notitieboekje heeft gescheurd en verbrand. Maar pas honderd pagina’s later komt de bewuste gebeurtenis uit 1966 ter sprake. Julia begint op haar achttiende een verhouding met Geoffrey, de minnaar van haar moeder en vader van twee kinderen. Als Julia hem na een tijd verlaat, pleegt hij zelfmoord.
|
|
|