|
| |
Het was tijdens het lezen van Stevensons Schateiland, toen ik acht of negen was, dat de vraag wie ik nu werkelijk was zich plotseling in alle hevigheid aan mij opdrong. Mijn uitgave begon met een inleiding getiteld ‘Hoe dit boek tot stand kwam’, waarin werd uitgelegd dat Stevenson op een regenachtige middag het verhaal was beginnen te vertellen aan zijn stiefzoon door een kaart te tekenen van het eiland. Een getrouwe afbeelding van deze landkaart was bijgevoegd als titelprent. Schateiland begint met een bekentenis: ‘Ik neem mijn pen op in het jaar onzes Heren 17– en ga terug naar de tijd waarin mijn vader de herberg “Admiral Benbow” bestierde.’ De boosaardige Old Sea Dog die in de herberg verschijnt en bang is voor een zekere ‘zeevaarder met één been’, vervulde me met een prettig soort angst, maar na ruim twintig pagina’s gelezen te hebben, merkte ik dat de verteller opeens ‘Jim’ werd genoemd. Ik bladerde terug naar de inleiding. Er was geen twijfel over mogelijk. De auteur, las ik, was iemand wiens voornamen ‘Robert Louis’ waren. En toch stond zwart-op-wit in mijn boek dat zijn naam ‘Jim’ was. Ik begreep niet hoe dat kon. Was de verteller dan niet dezelfde persoon als de man wiens naam op de kaft stond? Er kon geen sprake zijn van een fout, want in de eerste alinea stond toch echt: ‘Ik neem mijn pen op...’ De ‘ik’ die mij daar een verhaal begon te vertellen was niet ‘Robert Louis’, de schrijver van het boek, maar iemand die zichzelf ‘Jim’ noemde en die, uit het niets tevoorschijn gekropen, op mysterieuze wijze de plek van Robert Louis had ingenomen in mijn boek. Was het verhaal dan onecht? Had de auteur misschien gelogen? Als je een verhaal vertelt en ‘ik’ zegt, dan hield dat voor mij, op mijn achtste, de belofte van waarheid in, de aanwezigheid van een verteller die echt bestond en die aan mij, zijn lezer, zou gaan onthullen wat hem in een vroegere eeuw op zee allemaal was overkomen. Door deze omschakeling van ‘Robert Louis’ naar ‘Jim’ begon mijn vertrouwen in het vertellen van verhalen opeens te wankelen. Ik besefte dat ‘ik’ niet per se de auteur hoefde te zijn, maar iemand kon zijn die de auteur slechts voorwendde te zijn, een bedrieger die een spelletje speelt op de pagina, een misleider die de stem en gebaren van iemand anders overneemt. En als dat het geval was (ik begreep niet helemaal hoe het zat want ik was nog te klein om er de woorden voor te vinden), dan was de ‘jij’ tot wie de ‘ik’ zich richtte – de ‘jij’ die op magische wijze ‘mij’ was, of zo stelde ik me dat voor – misschien ook wel een leugen. Sinds dat moment moest ik me voegen naar bepaalde regels die ik tot dan toe had genegeerd en een rol spelen in een verhaal dat ik nog niet kende. Die verschrikkelijke middag werd lezen, in plaats van een ontdekkingsreis onder leiding van een vertrouwenswaardige auteur, een spel waarin de auteur slechts de rol van auteur speelde en de lezer de rol van lezer. Later besefte ik, zoals iedere lezer ooit zal moeten beseffen, dat ik eigenlijk de hoofdrol had en dat het bestaansrecht van het verhaal afhing van mijn bereidwilligheid en creatieve interpretatie. Maar zoveel jaar geleden, tijdens dat eerste moment waarop dit essentiële inzicht zich aan mij openbaarde, ervoer ik de verschijning van het denkbeeldige ‘ik’ als een verlies en een vorm van verraad. Maar waarom eigenlijk?
|
|
|