PAUL MONTGOMERY
En het bombarderen van Japanse burgers
Vermoedelijk heb ik meer mensen ontmoet die verantwoordelijk waren voor het massaal doden van mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog – uit Japan, Duitsland, de voormalige Sovjet-Unie en de Verenigde Staten – dan enige andere persoon die nu nog leeft. Het is een merkwaardige status en het was nooit een van mijn ambities. Het verschaft me echter wel de mogelijkheid enige vergelijkingen te trekken. En een van de opmerkelijkste zaken die ik ontdekte, was dat de overgrote meerderheid van de mensen die ik ontmoette en die betrokken waren bij het grootschalig doden van mannen, vrouwen en kinderen, hier relatief weinig last van leek te hebben. Laten we het geval van Paul Montgomery als voorbeeld nemen.
Ik interviewde hem in 1999 op zijn ranch in het hart van het Midden-Westen. De omgeving was idyllisch. Zijn huis stond midden in vredige, groene weiden. Hij en zijn vrouw waren lang en gelukkig getrouwd en vormden het middelpunt van een grote familie van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Zijn huis was een rustige en gezellige plek. Paul Montgomery was opgevoed als een modelburger, iemand die praktisch geheelonthouder was. Hierdoor was het bijna niet voor te stellen dat deze man had deelgenomen aan het doden van duizenden mensen. Het was natuurlijk de oorlog geweest die hem in staat had gesteld deze daden te begaan. Om precies te zijn was het het wapen van de strijdkrachten geweest waarvoor hij had gekozen, dat deze daden mogelijk had gemaakt, aangezien hij vliegenier was geworden in de United States Air Force (USAF). Kort na ‘Pearl Harbor’ nam hij dienst, en het was de herinnering aan deze ‘stiekeme’ aanval die zijn houding tijdens de oorlog bepaalde. ‘Ik begon de Japanners te haten om wat ze op zo’n achterbakse manier hadden gedaan,’ vertelde hij mij. ‘De Japanners hadden onze bezittingen aangetast [...] en ik wilde veel liever tegen de Japanners vechten dan tegen de Duitsers. Ik had in
Pearl Harbor enkele vrienden verloren en hierdoor voelde ik jegens hen een verplichting.’ Het bombarderen van de marinebasis Pearl Harbor op Hawaï voordat Japan de Verenigde Staten de oorlog had verklaard, was een catastrofale misrekening geweest. Uiteraard zou ieder land woedend hebben gereageerd op een dergelijke aanval, maar de Amerikaanse reactie was extra hevig.
De aanval raakte aan iets dat zich diep in de Amerikaanse psyche bevond – iets dat te maken had met een bijna mythisch idee van fair play of ‘rechtdoorzee’ handelen, dat essentieel was voor het beeld dat Amerikanen van zichzelf en hun land hadden. Het zorgde ervoor dat Montgomery en miljoenen van zijn landgenoten zich voor de oorlog meldden om wraak te kunnen nemen. Hij had altijd al willen vliegen en het vergeldingswapen dat hij koos was de viermotorige bommenwerper.
Aanvankelijk volgde hij de pilotenopleiding van de USAF, maar nadat hij te horen had gekregen dat er te veel piloten waren, stapte hij over naar de opleiding tot radiomarconist. Uiteindelijk werd hij gestationeerd op een vliegbasis op het eilandje Tinian in de Stille Oceaan, als bemanningslid van een Boeing B29 Superfortress, de grootste en zwaarste bommenwerper uit de oorlog. Het was zijn taak te assisteren bij het naar het doel loodsen van het vliegtuig, en het helpen van de bommenrichter bij het op de juiste plek laten vallen van de bommen. Bij zijn eerste vlucht bombardeerde hij de olieraffinaderijen bij de haven van Yokohama: ‘Nadat we het doel voorbij waren gevlogen konden we achteromkijken en zagen we dat de raffinaderij in lichterlaaie stond. Eindelijk voelde ik dat ik iets gepresteerd had.’ Er volgde nog een aantal industriële doelen, zoals het complex van de Mitsubishi-fabrieken in Osaka, waar zware machines werden gebouwd. Door de immense overmacht van de USAF waren er echter voor de Amerikanen al snel geen fabrieken meer over om te bombarderen.
Zodoende deden Montgomery en de overige bemanningsleden mee aan een van de meest controversiële militaire operaties van de oorlog – het met brandbommen bestoken van Japanse steden: ‘Er heerste het idee dat we niet alleen hun vermogen om oorlog te voeren moesten reduceren, maar ook hun wil om oorlog te voeren. En zodoende werd besloten om belangrijke doelen te bestoken met brandbommen. We begonnen met Osaka en Tokio en Nagoya, en alle andere belangrijke steden, en die werden net zo lang gebombardeerd totdat er nog slechts trottoirs en schoorstenen over waren. Het was de volledige, honderd procent vernietiging.’ Tussen hun bommenpakketten lieten de Amerikanen speciale ‘brandweerbommen’ vallen, die met onregelmatige tussenpozen explodeerden, zodat brandweerlieden werden gehinderd bij het blussen van de branden. ‘Niet dat deze bommen echt nodig waren, aangezien de Japanners op de grond nauwelijks in staat waren om iets tegen de aanvallen uit te richten.’ De weinige mensen die de massale bombardementen overleefden spreken van ‘vuurstormen’ en ‘mensen die levend verbrandden’. De houten en papieren huizen van de Japanners vlogen onmiddellijk in brand en vuurstormen verzwolgen hele gemeenschappen. Bij het bombardement op Tokio in de nacht van 9 op 10 maart 1945 kwamen ongeveer 100.000 Japanners om – dat waren meer mensen dan aanvankelijk werden gedood bij de atoomaanvallen op Hiroshima of Nagasaki.
‘Ik had helemaal geen spijt, om het ronduit te zeggen,’ vertelde Montgomery. ‘Ik was eenentwintig jaar, die zomer van de brandbombardementen. En ik wilde echt dat de oorlog voorbij was en dat ik naar huis kon. En wanneer ze me opdroegen om wat steden te bombarderen, dan ging ik en bombardeerde ik die steden.’ Hij gaf toe dat beneden hem, in de vuurstorm, ‘inderdaad vrouwen en kinderen moeten hebben geleden’. Maar hij was nog altijd van mening dat ‘dit gewoon was wat mij in het kader van de oorlogsinspanning werd opgedragen’.
Wanneer deze woorden worden opgeschreven, lijkt het net alsof Paul Montgomery iemand was die nooit nadacht. Maar dat was niet zo. Op al mijn vragen probeerde hij na te gaan wat zijn gevoelens waren en gaf hij zo eerlijk mogelijk antwoord. In zekere zin was het nog altijd moeilijk voor hem om echt, emotioneel, te beseffen dat hij deel had uitgemaakt van een militaire operatie die vele duizenden vrouwen en kinderen het leven had gekost. Een van de redenen dat hem dit moeite kostte, was dat hij slechts een van de bemanningsleden van zijn vliegtuig was geweest, en dat die bemanning op haar beurt weer deel had uitgemaakt van een groter geheel. Hierdoor was het onmogelijk uit te maken hoeveel mensen elk individu had gedood. Maar zelf kwam hij met een andere, belangrijkere reden waarom hij zo weinig emoties vertoonde met betrekking tot de verwoestingen die hij had helpen aanrichten. ‘Het is niet hetzelfde als ten strijde trekken en iemand een bajonet in zijn buik steken, toch? Je doodt hen op afstand en dat heeft niet het demoraliserende effect dat het zou hebben wanneer ik iemand tijdens een gevecht een bajonet in zijn maag zou hebben gestoken. Het is gewoon anders. Het is alsof je oorlog voert door middel van een computerspelletje.’
Dit ‘afstand nemen’ is naar mijn mening een van de sleutels om te begrijpen waarom een man die zo ‘normaal’ lijkt in staat is deel te nemen aan het massaal doden van vrouwen en kinderen. De moderne methoden om te doden hebben het niet alleen mogelijk gemaakt om grotere aantallen mensen te doden dan ooit, ook hebben ze het voor de daders in psychologisch opzicht gemakkelijker gemaakt. Het was voor onze voorouders beslist moeilijker om iemand met een stenen bijl te doden dan het voor Paul Montgomery en zijn kameraden was om op zes kilometer hoogte door middel van bommen duizenden mensen om te brengen.
Dit gemak waarmee werd gedood vormde, samen met het sterke gevoel voor een rechtvaardige zaak te strijden dat bij bemanningen van Amerikaanse bommenwerpers leefde wanneer het ging om het ‘wraaknemen’ op de Japanners, een krachtige combinatie. De Amerikanen waren de oorlog niet begonnen, zij hadden zich niet vergrepen aan Japanse bezittingen, en zij hadden het gevoel dat ze geen andere keuze hadden dan oorlog voeren. Bij Pearl Harbor hadden de Japanners wind gezaaid – en nu zouden ze een orkaan oogsten. Hier kwam nog bij dat sommige leden van de Amerikaanse luchtmacht ervan overtuigd waren dat ze vochten tegen mensen van een inferieur ras – Amerikaanse spotprenten beeldden de Japanners af als ‘apen’. Paul Montgomery ontkende echter dat racisme onderdeel was van zijn motivatie. ‘Een van mijn zoons trouwde een Japanse – ze komt van Hawaï,’ vertelde hij me, ‘en zij is het beste wat hem ooit is overkomen. Ik voel helemaal geen vijandschap jegens het Japanse volk. Ik voelde, in die tijd, alleen vijandschap jegens de Duitse en Japanse oorlogvoering [...] En ik was, net als iedereen, vastbesloten een eind aan de oorlog te maken [...] En als het daarvoor nodig was burgers te bombarderen, dan was daar niets aan te doen.’