|
| |
‘Volgt meteen de doodslag van Annaeus Seneca, de vorst zeer welkom, niet omdat hij hem echt medeplichtig aan de samenzwering had bevonden, maar om met ijzer tekeer te kunnen gaan, nu vergif geen succes had gehad.’ Met deze bitse woorden begint Tacitus de schildering van Seneca’s levenseinde in het jaar 65. Vooraf gaat een hele reeks van moorden en gedwongen zelfdodingen in de terreurcampagne die Nero voerde na de ontmaskering van Piso’s samenzwering tegen zijn leven. Met de vorst wordt Nero bedoeld: hem was de liquidatie van Seneca zeer welkom.
Stoïsch sterven
Het motief was volgens Tacitus dus niet de mogelijke betrokkenheid van Seneca bij het complot, maar pure moordlust waarvan nu ook Nero’s oude tutor het slachtoffer werd. Er was alleen een vage verklaring van een verrader dat hij berichten had uitgewisseld tussen Piso en de ziekelijke Seneca. Piso had geklaagd dat Seneca hun oude vriendschap tekortdeed door hem niet bij zich toe te laten, waarop Seneca had gezegd dat persoonlijke ontmoetingen voor geen van beiden zin hadden. ‘Overigens hing zijn eigen behoud af van dat van Piso.’ Een argwanende geest als die van Nero leidde uit deze woorden af dat Seneca minstens vermoedde waarmee Piso bezig was. Hij wilde zich kennelijk verre van de onderneming houden, maar hoopte wel dat Piso zou slagen en overleven, omdat alleen zo Seneca’s behoud verzekerd was. Maar het weigeren van contact paste in het maatschappelijke isolement dat Seneca zich in zijn laatste levensjaren had opgelegd. Hij was de politiek en misschien het leven beu. Dat zijn eigen behoud afhing van dat van Piso was niet meer dan een beleefdheidsformule. Romeinse brieven beginnen steevast met ‘als jij gezond bent, ben ik het ook’. Maar in de stalinistische terreurgolf van die dagen was iedere uitlating verdacht. Een opperofficier van de garde werd op Seneca afgestuurd om te vragen of hij die woorden als de zijne herkende. ‘Hij was toevallig of met opzet op dat moment uit Campanië teruggekomen en op de vierde mijlsteen had hij in zijn voorstadsvilla kwartier gemaakt.’ Die voorstadsvilla, zijn suburbanum, was een van de bezittingen die Seneca had aangehouden toen hij een jaar tevoren na de grote brand van Rome veel bezit had weggegeven om het herstel van de hoofdstad te helpen bekostigen. Zoals andere leden van de Romeinse elite bezat hij in Rome een herenhuis, een domus, waar hij in het politieke winterseizoen verbleef. Voor korte recessen hadden de aristocraten landhuizen in de directe omgeving. In de zomer trokken ze naar hun plattelandsvilla’s, villae rusticae, die in de eerste plaats landbouwbedrijven waren, maar ook aan de landheer een aangenaam vakantieverblijf boden. Of Seneca ook aan de Golf van Napels een of meer villa’s had is ongewis, hoewel iemand van zijn stand aan deze Romeinse Rivièra een zomerverblijf hoorde te hebben. Campanië was namelijk in zekere zin het binnenste buitenland van Italië, zoals Zuid-Limburg in de negentiende eeuw al bijna Zuid-Frankrijk was voor de Nederlandse elite. Steden zoals Napels hadden hun Griekse karakter behouden. Nero kwam er graag, zoals we nog zullen zien. Daarom kan het ook zijn dat Seneca, die zich niet helemaal uit Nero’s kring had kunnen terugtrekken, daar in het gezelschap van de heerser had verkeerd. Naar die voorstadsvilla begaf de gardeofficier zich tegen het vallen van de avond en liet het complex omringen door groepen soldaten. Seneca zat in gezelschap van zijn vrouw Pompeia Paulina en twee vrienden aan het avondmaal toen de officier van de garde Nero’s orders aan hem overbracht.
|
|
|