| |

|
|
| |
Roman en voortplanting (Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid) Tijdens het herlezen van Honderd jaar eenzaamheid bedenk ik iets geks: de hoofdpersonen van de grote romans zijn kinderloos. Amper één procent van de bevolking is kinderloos, maar minstens vijftig procent van de grote romanpersonages verlaat de roman zonder zich te hebben voortgeplant. Pantagruel, Panurge en Don Quichot hebben geen nageslacht. Valmont, markiezin De Merteuil en de deugdzame Présidente uit Les Liaisons dangereuses evenmin. Tom Jones, Fieldings bekendste held, ook niet. Werther niet. Alle hoofdpersonen van Stendhal zijn kinderloos; net als veel personages van Balzac; en van Dostojevski; en in de onlangs afgelopen eeuw, Marcel, de verteller van À la recherche du temps perdu, en natuurlijk de grote personages van Musil, Ulrich, zijn zuster Agathe, Walter, zijn vrouw Clarisse, en Diotima; en Sˇvejk; en de hoofdpersonen van Kafka, met uitzondering van de piepjonge Karl Roßmann, die een dienstmeisje heeft bezwangerd maar juist om die reden, om het kind uit zijn leven te wissen, naar Amerika moet vluchten, waarna de roman kan beginnen. Die onvruchtbaarheid is geen bewuste keus van de romanciers; ze vloeit voort uit de geest van de romankunst (of het onderbewuste van die kunst), die afkerig is van voortplanting. De roman is ontstaan met de moderne tijd, die van het individu ‘het enige ware subjectum’, de basis van alles heeft gemaakt, om met Heidegger te spreken. Grotendeels dankzij de romankunst betreedt de mens als individu het Europese toneel. Buiten de roman, in ons werkelijke leven, weten we niet veel van onze ouders zoals ze vóór onze geboorte waren; we kennen de mensen om ons heen maar zeer ten dele; we zien ze komen en gaan; nog maar net zijn ze verdwenen, of hun plaats wordt door anderen ingenomen: ze vormen een lange stoet van vervangbare menselijke wezens. Alleen de roman neemt een individu apart, verlicht heel zijn levensloop, zijn ideeën, zijn gevoelens, maakt hem onvervangbaar: plaatst hem in het middelpunt van alles. Don Quichot gaat dood en de roman is afgelopen; die afloop kan alleen maar zo volstrekt definitief zijn omdat Don Quichot geen kinderen heeft; met kinderen zou zijn leven zijn verlengd, nagevolgd of aangevochten, verdedigd of verraden; de dood van een vader laat de deur open; dat horen we trouwens al sinds onze prilste jeugd: jouw leven zal voortduren in je kinderen; je kinderen zijn je onsterfelijkheid. Maar als mijn geschiedenis kan voortduren over de grens van mijn eigen leven heen, dan wil dat zeggen dat mijn leven geen zelfstandige eenheid is, wil dat zeggen dat het onvoltooid is, wil dat zeggen dat er iets heel concreets en aards is waar het individu in opgaat, bereid is op te gaan, bereid is te worden vergeten: familie, nageslacht, clan, natie. Dan wil dat zeggen dat het individu, als basis van alles, een illusie is, een waagstuk, de droom van een paar Europese eeuwen. Met Honderd jaar eenzaamheid van García Márquez lijkt de romankunst die droom te verlaten; het centrum van de aandacht is niet langer een individu, maar een stoet van individuen; ze zijn allemaal origineel, onnavolgbaar, en toch is ieder van hen niets anders dan het vluchtige oplichten van een zonnestraal op een golf van een rivier; ieder van hen draagt zijn toekomstige vergetelheid in zich mee en ieder van hen is zich daarvan bewust; geen van hen blijft van begin tot eind op het toneel van de roman; de moeder van die hele clan, de oude Ursula, is honderdtwintig jaar oud als ze sterft, en dat is lang voordat de roman eindigt; en allemaal dragen ze namen die op elkaar lijken, José Arcadio Buendía, José Arcadio, José Arcadio Segundo, Aureliano Buendía, Aureliano Segundo, zodat de scheidslijnen tussen hen vervagen en de lezer hen met elkaar verwart. Het heeft er alle schijn van dat de tijd van het Europese individualisme niet meer hun tijd is. Maar wat is dan wel hun tijd? Een tijd die teruggaat tot het indiaanse verleden van Amerika? Of een toekomstige tijd waarin het menselijk individu zal opgaan in de menselijke mierenhoop? Ik heb de indruk dat deze roman, een apotheose van de kunst van de roman, tegelijk een afscheidsgroet is aan het tijdperk van de roman.
De bevrijdende ballingschap volgens Linhartová Vera Linhartová was in de jaren zestig een van de meest bewonderde schrijvers in Tsjecho-Slowakije, de dichteres van een meditatief, hermetisch, onklasseerbaar proza. Toen ze na 1968 het land had verlaten en zich in Parijs had gevestigd, ging ze in het Frans schrijven en publiceren. Ze stond bekend om haar solitaire aard en verbaasde al haar vrienden door aan het begin van de jaren negentig de uitnodiging van het Institut Français in Praag te aanvaarden en tijdens een symposium een voordracht te houden over de problematiek van de ballingschap. Ik heb over dat onderwerp nog nooit iets non-conformistischers en scherpzinnigers gelezen. De tweede helft van de vorige eeuw heeft iedereen extreem gevoelig gemaakt voor het lot van mensen die uit hun land worden verjaagd. Die medelijdende gevoeligheid heeft de ballingschapsproblematiek beneveld met een larmoyant moralisme en een façade opgetrokken voor het concrete leven van de balling, die zijn verbanning volgens Linhartová vaak heeft weten om te vormen tot een bevrijdend vertrek naar ‘een per definitie onbekend elders waar alles nog mogelijk is’. Natuurlijk heeft ze duizendmaal gelijk! Hoe valt anders het ogenschijnlijk choquerende feit te begrijpen dat vrijwel geen van de geëmigreerde kunstenaars na het einde van het communisme halsoverkop is teruggekeerd naar zijn land? Wat? Hebben ze het einde van het communisme niet aangegrepen om in hun geboorteland het feest van de Grote Terugkeer te vieren? En zelfs al verlangden ze er tot grote teleurstelling van het publiek niet naar, had die terugkeer niet hun morele plicht moeten zijn? Linhartová: ‘De schrijver is allereerst een vrij man, en de plicht om tegenover elke vorm van dwang zijn onafhankelijkheid te bewaren gaat vóór iedere andere overweging. En ik heb het nu niet meer over de waanzinnige dwang die een onrechtmatige macht hem probeert op te leggen, maar over beperkingen – des te moeilijker te ontwijken omdat ze goed bedoeld zijn – die appelleren aan zijn plichtsgevoelens jegens het vaderland.’ Inderdaad krijgen we telkens dezelfde clichés over mensenrechten te horen terwijl het individu ondertussen nog altijd als eigendom van zijn natie wordt beschouwd. Ze gaat nog verder: ‘Ik heb dus de plaats gekozen waar ik wilde wonen, maar ik heb ook de taal gekozen die ik wilde spreken.’ Tegenwerping: is de schrijver, hoewel een vrij man, niet de bewaker van zijn taal? Linhartová: ‘Vaak wordt beweerd dat een schrijver meer aan handen en voeten gebonden is dan wie ook, omdat hij met een onverbrekelijke band verbonden blijft aan zijn taal. Ik denk dat het ook daar weer om zo’n mythe gaat die bange mensen als uitvlucht verzinnen.’ Want: ‘De schrijver is geen gevangene van één enkele taal.’ Een grote, bevrijdende zin. Alleen de kortheid van het leven weerhoudt de schrijver ervan die uitnodiging tot vrijheid in al haar consequenties te aanvaarden. Linhartová: ‘Ik voel me verwant met de nomaden, ik ben niet geschikt voor een sedentair bestaan. Ik kan daarom met recht zeggen dat mijn eigen ballingschap heeft verwezenlijkt wat altijd al mijn vurigste wens was: elders wonen.’ Als Linhartová in het Frans schrijft, is ze dan nog een Tsjechische schrijfster? Nee. Wordt ze een Franse schrijfster? Ook niet. Ze is elders. Elders zoals Chopin dat ooit was, elders zoals later, ieder op zijn manier, Nabokov, Beckett, Strawinsky en Gombrowicz het waren. Natuurlijk beleeft iedereen zijn ballingschap op zijn eigen unieke wijze en is de ervaring van Linhartová een extreem geval. Wat niet wegneemt dat we na haar radicale, stralende tekst niet meer over ballingschap kunnen praten zoals we tot nu toe deden.
|
|
|
|
 |
| |
|
|
FICTIE - BOEKEN - TITELINFORMATIE |
Oorspr. titel: |
Une Rencontre |
Vertaling: |
Martin de Haan
|
|
| |
 |
|
|
|
|
 |
|
|