Alleen al de aantallen slachtoffers kunnen ons gevoel voor de individualiteit van ieder van hen afstompen. ‘Ik zou jullie allemaal bij je naam willen noemen,’ schreef de Russische dichteres Anna Achmatova in haar Requiem, ‘maar de lijst is weggehaald en er is verder geen enkele plaats waar ik kan zoeken.’ Dankzij de noeste arbeid van historici hebben we nu een paar lijsten; dankzij het opengaan van de archieven in Oost-Europa hebben we plaatsen waar we kunnen zoeken. We hebben een verrassend aantal stemmen van de slachtoffers: de herinneringen (bijvoorbeeld) van een jonge Joodse vrouw die uit het massagraf in Babi Jar in Kiev wist te ontsnappen, en die van iemand die dat lukte in Ponary bij Vilnius. We hebben de memoires van een aantal van de paar dozijn overlevenden van Treblinka. We hebben het archief van het getto in Warschau, nauwgezet verzameld, begraven en vervolgens (grotendeels) teruggevonden. We hebben de dagboeken die werden bijgehouden door de Poolse officieren die in 1940 door de Sovjets werden doodgeschoten in Katyn, dagboeken die samen met hun lichaam werden opgegraven. We hebben briefjes die uit de bussen werden gegooid die in datzelfde jaar tijdens de Duitse moordpartijen Polen naar hun massagraf brachten. We hebben de woorden die op de muur van de synagoge in Kovel werden gekerfd, en de woorden op de muur van de Gestapo-gevangenis in Warschau. We hebben de herinneringen van Oekraïners die de uithongering door de Sovjets in 1933 hebben overleefd, en die van Sovjetkrijgsgevangenen die de Duitse uithongeringscampagne van 1941hebben overleefd, en die van inwoners van Leningrad die de uithongering tijdens het beleg van 1941-1942 hebben overleefd.
We hebben ook verschillende documenten van de daders, documenten die van de Duitsers werden afgenomen toen ze de oorlog hadden verloren, of die na het ineenstorten van de Sovjet-Unie in 1991 in Russische, Oekraïense, Wit-Russische, Poolse of Baltische archieven zijn gevonden. We hebben rapporten en brieven van Duitse politieagenten en soldaten die Joden hebben doodgeschoten, en van de Duitse eenheden die partizanen moesten bestrijden en die Wit-Russische en Poolse burgers hebben doodgeschoten. We hebben de verzoekschriften die de activisten van de communistische partij verstuurden voordat ze in 1932-1933 de hongersnood in Oekraïne afdwongen. We hebben de quota voor het aantal om te brengen boeren en nationale minderheden, die in 1937 en 1938 vanuit Moskou naar de regionale afdelingen zijn gestuurd, en we hebben de reacties daarop, waarin om hogere quota wordt gevraagd. We hebben de officiële verslagen van de verhoren van de Sovjetburgers die daarna werden veroordeeld en gedood. We hebben Duitse tellingen van het aantal Joden dat bij de massagraven werd doodgeschoten en van de aantallen die in de vernietigingskampen werden vergast. We hebben Sovjettellingen van het aantal executies tijdens de Grote Terreur en bij Katyn. We kunnen een goede schatting maken van het totaal aantal Joden dat op de belangrijkste executieplaatsen is vermoord, schattingen die zijn berekend op basis van Duitse rapporten en mededelingen, getuigenissen van overlevenden en Sovjetdocumenten. We kunnen een redelijke schatting maken van het aantal hongerdoden in de Sovjet-Unie, die niet allemaal werden vastgelegd. We hebben Stalins brieven aan zijn naaste kameraden, de tafelgesprekken van Hitler, de agenda van Himmler en nog veel meer. Voor zover een boek als dit mogelijk is, is dat te danken aan de prestaties van andere historici, die al deze bronnen en talloze andere hebben gebruikt. Hoewel sommige uiteenzettingen in dit boek zijn gebaseerd op eigen archiefonderzoek, blijkt uit de inhoud en de noten hoeveel ik te danken heb aan collega’s en eerdere generaties historici.
Overal in het boek horen we de stemmen van de slachtoffers zelf. De daders komen eveneens aan het woord, degenen die de moorden hebben gepleegd en degenen die opdracht daartoe hebben gegeven. Ook wordt een kleine groep Europese schrijvers als getuige opgeroepen: Anna Achmatova, Hannah Arendt, Jósef Czapski, Günter Grass, Vasily Grossman, Gareth Jones, Arthur Koestler, George Orwell en Alexander Weissberg. (Het boek volgt ook de loopbaan van twee diplomaten: de Amerikaanse Ruslandkenner George Kennan, die op belangrijke momenten in Moskou was, en de Japanse spion Chiune Sugihara, die meewerkte aan het beleid dat volgens Stalin zijn massale zuiveringsacties rechtvaardigde, maar die later Joden van Hitlers Holocaust heeft gered.) Sommigen van deze schrijvers hebben één bepaalde methode van massamoord vastgelegd, anderen twee of zelfs meer. Sommigen gaven een heldere analyse, anderen kwamen met schrijnende vergelijkingen, en weer anderen met onvergetelijke beelden. Wat ze gemeen hebben is hun volhardende poging om het Europa tussen Hitler en Stalin te bekijken, vaak ondanks alle taboes van hun tijd.