|
| |
Het spookt hier, dacht ze.
De laantjes brachten hen naar de hogergelegen delen van Dartmoor, en Cecilia besefte dat het kleine meisje er nog was: in de drijfnatte wolkenschaduwen, in de varens.
Tot op dat moment had ze geloofd dat haar kindje alleen in haar eigen beleving nog bestond, geprojecteerd op passerende kinderwa gens en vreemden, een vluchtige glimp van de achterkant van een jurk. Maar hier was het kind al die tijd gebleven, hier waar de wind waaide en de manen van de pony’s eruitzagen als slappe vlaggen. Ze was nooit weggegaan.
Kilometers lang reden ze over het platteland – vader, moeder, drie dochters – naar een gehucht in een rivierdal bijna in het midden van Dartmoor. De kinderen sprongen de auto uit om te voet het laatste stuk naar hun nieuwe huis af te leggen, de oudste meisjes lusteloos, humeurig en met hun mobieltjes in de lucht op zoek naar bereik; de jongste ongeduldig in haar verlangen een wilde pony te vangen. Een ruiger, voller geluid dan ze in Londen ooit hadden gehoord vulde hun oren: snelstromende beekjes langs de kant van de weg, eenzame vogels die uit volle borst woeste kreten slaakten.
Cecilia liep achter hen aan naar het huis van haar jeugd, nu haar nieuwe eigen huis. Het was nog hetzelfde, ontnuchterend hetzelfde als altijd; de enige veranderingen waren het gevolg van vertekende herinneringen, die langzaam wegtrokken toen ze werd geconfron- teerd met de stenen werkelijkheid, maar ze liep met de aarzeling van een indringer over het pad de tuin door.
‘Is het raar om terug te zijn?’ vroeg haar middelste dochter, boven het geraas van de rivier uit dat achter hen opsteeg.
‘Nee,’ zei Cecilia niet naar waarheid, terwijl ze haar dochter over het hoofd streelde; als ze haar eerste ingeving had gevolgd was ze omgedraaid en weggerend.
Ze kwamen bij het portiek en ze duwde de deur open; de klopper sloeg er met een verontrustend vertrouwd geluid tegenaan. Meteen voelde ze zich weer zeventien: slank, oppermachtig en machteloos. De oude geur van houtrook op graniet, een geur die ze ondanks twee decennia vol mijmeringen was vergeten, borrelde weer op in haar bloed zodra ze naar binnen liep, en opeens wist ze met absolute zekerheid dat een eventuele geest die ze in haar oude huis kwam bezweren zich zou omdraaien en naar háár op zoek zou gaan. De hal leek ermee besmeurd, met wat ze had gedaan.
|
|
|