| |

|
|
| |
Buenos Aires, 1978 Mama is niet meteen met het bericht gekomen, nee, ze begon met een lange uitweiding, alsof ook zij – niet alleen haar zus – zich ergens voor moest verontschuldigen: dat Martín altijd al problemen had gehad, van kindsbeen af, weet je nog hoe hij als hij naar het vakantiehuis kwam de godganse dag insecten liep te verzamelen, en dan dat met dat meisje met wie hij wat had, verschrikkelijk, dat maakte het nog erger, en zijn moeder had het hem niet eens ten strengste verboden, alleen afgeraden dat hij… En ik, ik maar proberen haar af te wimpelen met dat gezeik van haar over familiekwesties. ‘Mama, alsjeblieft, ik ben aan het werk.’ ‘Val me niet in de rede, Ezequiel. Wat ik je nog niet heb verteld is dat Martín is gestorven. Vanmorgen, of vannacht.’ Ze zei niet dat hij zichzelf had gedood, zelfmoord had gepleegd, alleen dat hij was gestorven, alsof het een natuurlijke dood was geweest. Andrea liep niet door naar de plek die de laatste drie maanden haar huis was geweest: ze voelde zich inwendig ineenkrimpen, al voordat ze de auto om de hoek had zien staan. Alles wees op een politieactie. Het hoefde niet per se om haar appartement te gaan, het kon ook een ander zijn, er zijn zoveel gebouwen in dat blok, maar ze was niet van plan het risico te nemen. Ze maakte rechtsomkeert en liep stevig door naar de Avenida Santa Fe. Ze stak de weg over en liep door een smal straatje en daarna door nog een dat dwars op het vorige stond, en sloeg vervolgens een straat in die daar weer parallel aan liep, blok na blok, ze had geen idee hoeveel, het was een behoorlijk eind in ieder geval, want ze haalde heel gejaagd adem toen ze stilhield om te kijken waar ze zich bevond. Bij de brede straat waarin ze was uitgekomen moest ze wel stoppen, omdat de auto’s er met hoge snelheid doorheen raasden. Bussen reden er nauwelijks, zag ze. Ze had er eerder een moeten nemen. Maar welke? Waarheen, als je niet wist waar je naartoe moest? De groep was al een tijd daarvoor uiteengevallen. De meesten van haar kameraden waren omgekomen, en degenen die het hadden overleefd zaten waarschijnlijk vast op plaatsen waar Andrea geen idee van had, of hadden het land uit weten te komen. Het beeld van Tito sneed even door haar heen, maar ze duwde het weg. Ze kon niet zomaar op straat in huilen uitbarsten, dat was gevaarlijk. En Carmen? Zou Carmen net zoveel geluk hebben gehad als zij, had zij ook kunnen ontsnappen omdat ze te laat was gekomen? Ze was er inmiddels zeker van dat ze het appartement dat ze met Carmen deelde waren binnengevallen. Ze wreef in haar ogen alsof ze met dat gebaar het beeld dat zich aan haar opdrong kon verdrijven: Carmen, meegesleurd, geslagen. Weer een. Alleen zij, Andrea, was nog over, dacht ze terwijl ze de Avenida Alcorta overstak. In de met bomen omzoomde straat die ze daarna insloeg, was ze nooit eerder geweest en tot haar verbazing zag ze dat hij slingerde. Een paar lage gebouwen, woonhuizen, meer niet. Grote, statige huizen. Geen café, geen winkel, geen kiosk. Andrea kende die plek niet, het was alsof er midden in de stad ineens een betoverde wijk was ontsproten. Ze had geen idee meer of ze in de richting van de rivier liep of niet. De straten sneden elkaar, liepen in elkaar over. Die merkwaardige, labyrintachtige opzet, zo anders dan de rest van de stad, bezorgde haar een vreemd, onwezenlijk gevoel, alsof die wijk niet bestond of, liever, alsof niets van wat zij op dat moment beleefde ook echt gebeurde. Andrea in een sprookje met kastelen, prinsessen… en geen enkel monster. En de fee? Wanneer zou de toverfee verschijnen om haar aan te kleden, voor een bed en voor warmte te zorgen, en haar Tito terug te geven? Tijdens de dodenwake, voordat zij verscheen, wist ik al – van Julio, een vriend van Martín – dat Marga, het vriendinnetje van mijn neef, zwanger was en dat hij had besloten om met haar te gaan samenleven. Mijn tante was op haar achterste benen gaan staan, waar denk je te gaan wonen?, in die achterbuurt?, want zij piekerden er niet over hem ook maar één peso te geven, wel om te studeren, ja, en om te sporten, om uit te gaan met zijn vrienden, maar niet om hem zijn leven te laten verwoesten met de een of andere snol, een slet, want alleen een slet liet zich in met een jongen van zijn leeftijd. Maar wat Martín het meest had geraakt was niet wat ze van zijn vriendin dacht (die maar zes jaar ouder is dan hij), noch dat van die achterbuurt (ook niet waar, ze woont in een bescheiden huisje in Moreno), wat hem had gebroken, verzekerde Julio me, was dat toen hij dat van de zwangerschap aan zijn moeder opbiechtte, ervan overtuigd dat ze hem zou helpen, zij hem had bezworen dat het kind vast niet van hem was, dat Martín er met open ogen in was getuind, dat die kleine snol alleen op zijn geld uit was. Martín studeerde aan de Champagnat Universiteit, en mijn tante – net als mama en haar broer – is ongetwijfeld tegen abortus, ze zijn heel katholiek. Arme Martín, het moet verschrikkelijk voor hem zijn geweest toen mijn oom zijn kamer binnenkwam met een paar honderd dollar: hier, voor de abortus, had hij gezegd, en nog wat extra om haar d’r mond te laten houden. En hoe hij het in zijn hoofd had kunnen halen om hier met zijn moeder over te praten, hij had het geld aan hém moeten vragen, dit zijn mannenzaken. Martín had niet eens de gelegenheid om iets terug te zeggen, want voordat hij kon reageren, was zijn vader alweer vertrokken. Julio begreep niet wat de crisis die tot zijn zelfmoord had geleid kon hebben veroorzaakt, want de laatste keer dat hij Martín had gezien, was hij vastbesloten het geld te gebruiken om zich met het meisje in een appartement te installeren, met haar te trouwen zelfs, en als zijn ouders geen toestemming gaven (hij was minderjarig) zou hij het ze wel aan hun verstand weten te peuteren, goedschiks of kwaadschiks. ‘Hij was bezeten van die meid,’ zei Julio. ‘Ik heb nog geprobeerd het hem uit zijn hoofd te praten, niet dat ik zijn ouders gelijk geef, ze zijn veel te streng, maar je hoeft het ook niet te overdrijven, je trouwt toch niet met de eerste de beste die zegt dat ze zwanger van je is om je tegen je ouwelui af te zetten, vind je ook niet, Ezequiel?’
Andrea had het koud, ze had dorst, honger, slaap, en ze was ontzettend moe. Verder niets. Geen pijn die niet fysiek was. Ze zou naar Lanús kunnen gaan, dacht ze, daar had ze goede vriendinnen, een schoolvriendin zou haar een nacht gastvrijheid in haar huis niet weigeren. Hoewel je er niets van kon zeggen… de mensen waren bang, ze meden hen, het zou niet voor het eerst zijn dat ze voor een dichte deur stond. Daar moest ze begrip voor hebben, had Tito tegen haar gezegd. Ineens werd ze in het hart van die zo rustige wijk opgeschrikt door een groep mensen die een huis in en uit liepen. Een feest, op donderdagavond? Andrea kwam over de stoep aan de overkant dichterbij en keek nog eens goed. Een enorme entree. Een man in het zwart. Rouwkransen. Een dodenwake! Tussen zoveel mensen zou ze niet opvallen. En Andrea had het zó koud…
|
|
|
|
 |
| |
|
|
FICTIE - BOEKEN - TITELINFORMATIE |
Oorspr. titel: |
Callejón con salida |
Vertaling: |
Rikkie Degenaar
|
|
| |
 |
|
|
|
|
 |
|
|