| |

|
|
| |
Sinne fianna fáil Wij zijn soldaten van het lot
Niemand schreef over september zoals Glynn. Dat was zijn maand. Je zou zelfs kunnen stellen dat het zijn jaargetijde was. September versterkte de weelderige triestheid waarvan zijn werk was doortrokken, maakte het compleet, tastbaar en beladen: de nazomer die ten einde liep, de zon die onze afgelegen kusten in de steek liet, de lange, barre winter die inviel (wat hij ooit heeft vergeleken met een dier dat zich te ruste legt om te sterven). Er waarde een geest van voldane melancholie door zijn acht verbijsterende romans, waarvan de pagina’s als zeelucht opzwollen. Je kon het haast proeven. Ik kon het haast proeven. Verlaten worden, dat was Glynns grote thema. Verlating en verlangen. Hij schreef over angst met een prikkelende helderheid. Met name de herfstequinox – de zon die de hemelse evenaar oversteekt, waar Glynn in drie romans naar verwijst (Pruisisch blauw, pag. 140, Heidebrand, pag. 198, Boerderijdieren, pag. 20) –weerspiegelde de gemoedsgesteldheid van zijn vertellers – elk heen en weer slingerend tussen haat en liefde, angst en hoop, berouw en opstandigheid alsof ze tot de strop waren veroordeeld. En o, die weergaloze luchten van hem. Die schetste hij haast achteloos met een paar trefzekere pennenstreken die het beeld van metaal opriepen: tin, zilver, lood. Onze noordelijke ligging was zijn thuis. Het Ierse licht verzadigde al zijn zinnen, het grillige weer infiltreerde al zijn woorden. Tijdens de tien jaar dat hij in de Verenigde Staten woonde, speculeerden literatuurwetenschappers en recensenten enthousiast over de aard van zijn eerste ‘Amerikaanse roman’, maar Glynns afwezigheid versterkte zijn kijk op zijn geboorteland alleen maar, en juist in het Amerikaanse Brighton, in Connecticut, schreef hij zijn meesterwerk Hibernia, land van winter, thuis. Onze formele ontmoeting met Glynn vond plaats op een dag in oktober. Zijn maand was onlangs verstreken. Die dag was de hemel helder, kil en koperkleurig. Moet je mij horen: ik ben haast even erg als hij. Het leslokaal zag er witter uit dan ooit. We hadden daar al vier weken op hem zitten wachten en waren vertrouwd geraakt met die zolderkamer en de speling van het licht, die op de grond talloze nuances van teleurstelling weergaf. Glynn liet al bijna een maand op zich wachten en we hadden de hoop al bijna opgegeven, zo onwaarschijnlijk leek het dat zo’n groot schrijver ooit naar ons toe zou komen in dit bescheiden vertrek. De verhoudingen klopten gewoonweg niet. Toen op de begane grond de voordeur dichtsloeg keken we alle zeven als geschrokken herten op – we waren toen nog maar met zijn zevenen en hoewel het nauwelijks is voor te stellen was ik een tijdje niet de enige man. Het viertal, mijn viertal, was al op weg naar beneden, maar zonder enig overleg maakten ze rechtsomkeer en gingen weer op hun stoel zitten om zwijgend, met hun handen gevouwen op hun schoot, te wachten en de heilige onschuld te spelen, alsof ze nooit van hun plaats waren geweest, de kleingelovigen. We luisterden allemaal gespannen naar Glynns tred op de houten trap, die met elke stap aan kracht inboette maar aan inhoud won. Hij deed er eindeloos over en zijn gang klonk zo vermoeid dat het leek alsof hij al wekenlang zijn uitgeputte botten naar ons toe sleepte, sjokkend door woestijnzand en over ijsvlaktes, eigenlijk niet veel anders als je erbij stilstaat – en dat heb ik gedaan – dan de manier waarop wij ons naar hem toe hadden gesleept. Die laatste seconden dat we zaten te wachten tot hij verscheen, waren onverdraaglijk. We zaten gevangen op de bovenste verdieping, zonder uitweg. Wat hadden wij opgeroepen? Welke onheilspellende geest, welke gekwelde ziel? En het was te laat om hem tegen te houden. Voordat we hem zagen waren we even geladen als donderwolken, onze verbeelding vonkte als een meteorenzwerm alle kanten op. We hadden van alles kunnen zien, echt van alles. Dat was de uitwerking die hij op ons had. Glynn had zich al een tijdje teruggetrokken uit het openbare leven. We wisten nauwelijks wat ons te wachten stond. Toen hij eindelijk verscheen, was dat haast een opluchting. Het was bijna te veel geweest. Guinevere zei dat ze haar tranen moest bedwingen toen hij binnenkwam, Faye voelde haar bloed naar haar hoofd stromen. Aisling dacht dat ze zou flauwvallen. Haar gezicht was nog bleker dan anders, voor zover dat mogelijk was. En god mag weten wat er door de duistere steegjes van Antonia’s overladen geest sjeesde – het was meer dan een jaar geleden dat Glynn en zij elkaar voor het laatst hadden gezien. Niet dat wij op dat moment wisten dat ze elkaar kenden. Of dat ze een verleden hadden, zoals je denk ik zou kunnen zeggen. Als het Glynn al verbaasde Antonia daar aan te treffen, liet hij er niets van merken. Wat zag hij eruit. Het leek alsof hij tijdens zijn maandenlange afwezigheid geen moment had geslapen. Met rode ogen nam hij ons vanuit de deuropening op, schreed daarna naar de stoel voor in het lokaal en plofte er met zijn hele hebben en houden als een zak kolen in neer. Hij leek helemaal niet op zichzelf, dat wil zeggen, helemaal niet op zijn publiciteitsfoto: ouder, lelijker, en toch indrukwekkender. Iedere vezel verraadde waarom hij gezien werd als de getormenteerde, heroïsche kunstenaar: afgetobd, verfomfaaid, nors, uitgeput. Hij bood zowel een weerzinwekkende als een bevredigende aanblik. Klaarblijkelijk had september hem dit jaar flink te pakken gehad. Later, maanden later, hadden we het erover hoe verbazingwekkend het was geweest dat we daar oog in oog met hem hadden gestaan, ook al was dat precies de plek waar hij geacht werd te zijn. Hij staarde ons met evenveel afgrijzen als medelijden aan. Lege tafels dreven als ijsbergen in het niemandsland dat ons scheidde. Ik zal later nog terugkomen op deze eerste kennismaking. Zes romans van Glynn speelden – spelen – zich af aan de kust, met name aan de oostkust van Ierland. Geen prachtige Atlantische zonsondergangen voor hem, geen horizonten beladen met belofte, geen Noord- en Zuid-Amerika. Met een enkele zin wist hij je het idee te geven dat je weer een kind was, door die universele reactie van hulpeloosheid op te roepen als hij je confronteerde met een immense, onverschillige hemel, waarvan het effect nog eens werd verdubbeld door de al even immense, onverschillige zee eronder, die gestaag donkerder werd. Glynn was akelig goed in het vangen van dat gevoel van verlatenheid, een hachelijke toestand die moeilijk is te beschrijven. Een van de vele eigenaardigheden van Glynn was dat hij met het klimmen der jaren steeds indringender beelden van de jeugd wist op te roepen. Een andere eigenaardigheid was dat naarmate zijn beelden en emoties aan kracht wonnen, ze ook vertrouwder werden, zozeer zelfs dat het jouw jeugd kon zijn die hij beschreef. Mijn jeugd, bedoel ik. Hoewel Glynn meer dan dertig jaar ouder was dan ik, leek hij míjn jeugd te beschrijven. Het voorval met het doodgeboren kalf in Het citatenboek bijvoorbeeld, heb ik ook meegemaakt. Althans, dat meende ik en nadat ik het voor de tweede keer had gelezen, wist ik het zeker. Nu zie ik in dat ik mijn kinderjaren heb vervangen door Glynns beschrijvingen: die waren zo levendig dat ze mijn herinneringen overschaduwden. Soms denk ik zelfs dat ik ben opgegroeid op een landtong van Wicklow met vuurtorens en al het andere wat je ziet als je uitkijkt over de Ierse Zee, en niet op onze eigen paar laaggelegen hectaren Mayo-moeras, bespikkeld met bies en gemerkte schapen, blauw voor ons, rood voor de McGuigans. Ik ging zo ver dat ik Guinevere ooit heb verteld dat ik als jongen ’s avonds in slaap viel bij het geluid van golven die stuksloegen op de rotsen. Welke golven, welke rotsen? En toch hoor ik ze tot op de dag van vandaag. Ik hield het meest van storm. ‘Een flinke storm, zo mooi is niets,’ zei ik tegen Guinevere, het jambische metrum, Glynns favoriete cadans, gebruikend om haar aandacht te trekken, waar ik zo naar hunkerde. Ik weet niet wat me bezielde om dat allemaal te berde te brengen. Het voelde niet eens als een leugen. Je zou kunnen zeggen dat ik deels Glynn was geworden toen ik die oktobermaand aankwam bij House Eight, zo grondig had ik hem geabsorbeerd en zo grondig was ik geabsorbeerd. Tot op zekere hoogte waren we allemaal deels Glynn geworden, alle vijf, en een tijdje leek dat Glynn goed te doen. Wanneer een groot kunstenaar de strikt persoonlijke contouren van je geest afbakent, mag je er natuurlijk niet zomaar van uitgaan dat die grote kunstenaar en jij verwante geesten zijn, en toch smeedt de poëtische verbeelding juist die band, daar ligt precies haar kracht. Glynns esthetische visie was zo groots dat ze doorsijpelde in de onze, waar ze werd verwelkomd en uitgenodigd te bloeien. Alle vijf – we kenden elkaar indertijd nog niet – zaten we klem tussen de kaken van een vijandige wereld, en Glynns reactie op die wereld maakte onze reactie zinnig. We voelden ons niet meer alleen, zo simpel was het. Vanaf dat moment waren we de kunst volledig toegewijd. Voor alle anderen had de kunst gaandeweg haar belang verloren, deed ze er niet meer toe, was ze niet meer iets om in te geloven. Maar dat gold niet voor ons. En zeker niet voor Glynn. Hij moet geweten hebben wat hij voor ons betekende. Hij was per slot van rekening ook ooit jong geweest. Natuurlijk wisten we dat Glynn niet over ons had geschreven, maar door over zichzelf te schrijven had hij ons wel gevormd. En onze overtuiging dat we verwante geesten waren, leidde tot de misvatting dat we hem kenden, dat we hem begrepen en van hem hielden. Daardoor kwamen de gebeurtenissen in een stroomversnelling, wat anders misschien niet was gebeurd. Wij meenden dat het idee dat wij van hem hielden hem zou bevallen, en aanvankelijk was dat ook zo. Of misschien beviel het hem niet, maar voelde hij zich gevleid. U vraagt zich misschien af hoe wij vijven elkaar hebben gevonden, en wellicht vindt u ons antwoord niet overtuigend – Glynn al helemaal niet: we kwamen omdat hij ons riep. Hij schreef in de wetenschap dat zijn woorden de meesten niets, maar een paar mensen alles zouden zeggen. En wij, die paar mensen, hoorden zijn sirenenzang en volgden hem, omdat we in die vijandige omgeving nauwelijks een alternatief hadden. Hij wilde dat zijn kunst een gevaarlijke kracht was, dat ze leefde. Welnu, je zou kunnen stellen dat hij daar helemaal in is geslaagd.
|
|
|
|
 |
| |
|
|
FICTIE - BOEKEN - TITELINFORMATIE |
Oorspr. titel: |
All Names Have Been Changed |
|
| |
 |
|
|
|
|
 |
|
|