| |

|
|
| |
De tekenduider De tekenen zijn heel vaag. Iemand uit het dorp had het kind, bijna fluisterend, van de droom verteld die Hugo Hedman in de winter van 1935 had gehad. In die droom waren drie grote bomen omgevallen. Dennenbomen, maar niet voor de kap. Een teken aan de wand. Die winter stierven er drie mannen in het dorp. Die droom was een voorteken geweest. Een van de mannen die stierf en wiens dood door de omvallende boom voorspeld was, bleek d’n Elof te zijn. Het kind had later begrepen dat dat geen ‘dennenboom’ was, maar ‘zijn vader’, maar alles is even onduidelijk. Tweede teken; zijn moeder is zwanger, van haar eniggeboren zoon. In dezelfde tijd: een van zijn ooms, nog heel jong, wordt beschouwd als ‘geestesziek’ en hij wordt een tijdje in het opkamertje opgesloten, dat deed men toen. Omdat zijn moeder zwanger is, van dát kind trouwens, mag ze hem niet bezoeken; een geheime straling van de geesteszieke (‘hij is kierewiet’) zou het ongeboren kind in de baarmoeder schade kunnen berokkenen. Een paar jaar later (misschien in september 1939) vraagt hij of dat toch niet gebeurd is, wat ontkent wordt, hij heeft geen schade opgelopen van de straling van de geesteszieke. In zo’n geval zou het naderhand aan het licht komen, maar dat ligt niet voor de hand. ‘Geestesziek’ is, zo krijgt hij te horen, een soort van rusteloosheid. Zo verstrijken de jaren. Plotseling valt het hem op dat zijn moeder nooit meer huilt. Hij weet niet wat er gebeurd is, maar het huilen is gestopt. Eerst trekt hij de conclusie dat ze blij is en dat ze niet langer treurt om haar eenzaamheid als weduwe. Daarna vermoedt hij dat het gewoon opgedroogd is. Klaarblijkelijk is ze tot inzicht gekomen en toen is het opgedroogd. Ze gaat op in haar werk. De school, en in haar vrije tijd werkt ze voor Christus. Het eerste is ploeteren. Haar vrijetijdswerk voor Christus, dat mag je wel aannemen, vervult haar echter met licht. O, U mijn licht. Dat is het standpunt dat ze inneemt. Het kind is vol bewondering. De afstand tussen het groene huis, waar ze wonen, en het schoolgebouw bedraagt vijf kilometer. Geen tranen meer. Het is alsof ze het heeft opgegeven en zich erbij heeft neergelegd. In de winter als het bospad niet sneeuwvrij gehouden kan worden, pakken ze de ski’s. Zijn moeder trekt een spoor, hij volgt. Dat is normaal. Zij is immers de dorpsonderwijzeres. De school is een school met twee klaslokalen. Vanaf het groene huis loopt er eerst een zwakke helling omlaag, vervolgens steek je dan de beek over en dan komt er een lang door de wind gegeseld gedeelte door de hooilanden van Hugo Renström en daarna gaat het verder het bos door. De school bedient twee dorpen en staat daarom tussen die twee in, dus in het midden van het bos; iedereen heeft even ver te gaan, misschien wel te ver, maar anderzijds, nu kan niemand jaloers zijn. Dit is rechtvaardig, maar in de winter is het vlakke gedeelte door het bos bij tegenwind wel heel erg lastig. Over haar leven heeft ze echt niets te klagen. Ze houdt geen dagboek meer bij. Als hij na haar dood in de herfst van 1992 opruimt, vindt hij iets dat op dagboeken lijkt, uit de eerste jaren na de kweekschool. Uit deze merkwaardige aantekeningen in haar agenda kun je opmaken dat ze voor haar huwelijk weliswaar een diepgelovig leven leidde, maar om eerlijk te zijn, ook een heel vrolijk. ‘Feestje in Gamla Fahlmark’ of ‘Feestje in Långviken’. Deze bekentenissen over feestjes houden bij haar verloving op, de datering is niet erg duidelijk. Ze verzekert haar zoon bij herhaling dat ze tevreden is, en dat de koek van de staat klein is maar wel zeker. Toch gaat ze tekeer over de salarissen voor vrouwen, lonen die lager liggen dan die van haar mannelijke collega’s (gelijke beloning werd in 1937 ingevoerd, maar ze is rancuneus) en ze legt ook de nadruk op het belang voor iedere vrouw om een eigen beroep te hebben, omdat ze altijd het risico loopt op een dag weduwe te worden. De gedachte aan echtscheiding komt niet bij haar op. Haar politieke thuis is ongetwijfeld de liberale Folkparti. Ze is een groot fan van partijleider Bertil Ohlin, die professor is. Zeer kritisch merkt ze op dat Erlander, die alleen maar een kandidaats heeft, een grote mond tegen Ohlin opzet. Ze zegt nooit dat de laatste knap is (één keer ontvalt haar het woord ‘charmant’), maar het kind heeft al gauw door dat er in haar bijna religieuze aanbidding van deze Ohlin een onderstroming zit. Stevig onder druk gezet, geeft ze vele jaren later toe dat zijn gestorven vader een sociaaldemocraat was. Niet iets om je verder druk over te maken, zegt ze. Voor zijn overlijden was hij immers ondanks alles verlost. Een nadere verklaring blijft uit. Omdat hij in de zomer stuwadoor is en in de winter houthakker, vindt ze het normaal dat hij voor de druk van de kameraden van zijn stuwadoorsgroep is gezwicht. Ze laat doorschemeren dat ze hem nooit voor zijn politieke thuis bekritiseerd heeft. Als haar zoon opgroeit en vertelt dat hij ook sociaaldemocraat is, slaakt ze een diepe zucht maar zegt, sarcastisch of humoristisch? dat kan hij niet van haar gezicht aflezen, ja, daar zal je vader wel blij om zijn. In elke klas waar ze lesgeeft, richt ze een zangkoor op. Altijd drie - stemmig. Daarin vindt zíj haar thuis, in de zang dus. Haar toewijding aan de Folkparti is meer van principiële aard, niet gevoelsmatig. Zevenentachtig jaar oud en na drie kleine herseninfarcten wordt ze in het donker tijdens hevige sneeuwval op de kustweg in zuidelijke richting aangetroffen. Ze loopt op de voor haar karakteristieke manier en heeft maar één gebreide want aan. Ze loopt gedecideerd als was ze op weg naar Umeå of Sundsvall. Het is kerstochtend zeven uur. Ze wordt staande gehouden en zegt geïrriteerd dat ze op weg is naar de plaatselijke afdeling van de Folkparti in Bureå, die nu haar jaarvergadering houdt en die ze onder geen voorwaarde wil missen. Ze brengen haar terug, maar een standje krijgt ze niet, want haar norse humeur is maar al te goed bekend en niemand durft het aan haar tegen te spreken, zelfs nu nog niet. Het is haar laatste, maar onafgemaakte, politieke daad. Ze leest nog steeds de Norran, een ‘vrijzinnige’ regionale krant. Dus sociaal-liberaal.
Tot welke klasse behoren zij, zijn vader en hijzelf in feite? Ergens in 1944 worden in de gemeente Bureå de schoolmaaltijden ingevoerd, wat betekent dat de kinderen op school in de middagpauze een gratis maal krijgen. Het eerste jaar is een proefjaar om uit te vinden of het noodzakelijk is. Een economische analyse toont aan dat alle kinderen in Hjoggböle recht op zo’n maaltijd hebben, met uitzondering van twee die tot de klasse der geprivilegieerden behoren. Het zijn de beide onderwijzeressen die de dupe zijn (‘hun salaris is laag, maar zeker, enzovoort’), wat betekent dat hij en Thorvald, het zoontje van kleuterleidster Ebba Hedman, geen eten krijgen. In de pauze marcheren de leerlingen naar de provisorisch ingerichte eetzaal op de bovenverdieping van de school, waar zijn tante Wilma – die later betrokken zou worden in het gevecht om het verwisselde kind, de geschiedenis van de verwisseling van de Enquists – lekkere, voedzame vleessoep opschept. De beide kinderen uit de betere kringen, Thorvald en hij, moeten in de gang beneden op de grond hun boterham met magarine eten, hij verafschuwt margarine, en moeten afgeroomde melk drinken. Hij voelt zich met de vinger nagewezen, schaamt zich en kookt over van verontwaardiging. Hij heeft het geluk dat hij aardig gevonden wordt. De verzadigde kinderen stromen na het eten met een gelukzalige glimlach langs de twee onderwijzeressenkinderen. Het versterkt zijn kijk op de klassetegenstellingen in de maatschappij. Maar hij begrijpt niet dat zijn gevoel, dat hij er eentje uit de lagere klassen is, op een misverstand berust; hij behoort dus tot de betere kringen.
|
|
|
|
 |
| |
|
|
FICTIE - BOEKEN - TITELINFORMATIE |
Oorspr. titel: |
Ett anat liv |
|
| |
 |
|
|
|
|
 |
|
|