| |

|
|
| |
Het was juni toen Eugene Brentani bij Verhuisbedrijf Aaronsen en Zoon ging werken en in Inwood een appartement onderhuurde van Alvaro, een man die bij hem in de ploeg zat. Zoals de meeste werknemers van Aaronsen en Zoon was Alvaro onlangs geëmigreerd uit de Dominicaanse Republiek. Maar anders dan de anderen kwam Alvaro uit de Cibao-vallei, een landelijke streek in het noorden. De afgelegen boerendorpen, die door de bergketen Cordillera Septentrional werden gescheiden van de rest van het eiland, hadden een eigen dialect ontwikkeld. Deze tongval, het Cibaeño, was zo goed als onverstaanbaar voor de inwoners van andere Spaanssprekende landen in de Caraïben. Cubanen vonden het overdreven occlusief klinken, zoals Catalaans; Porto Ricanen vonden het fricatief en melodieus klinken, zoals Portugees. Zelfs de andere Dominicanen bij het verhuisbedrijf verstonden Alvaro niet. Eugene vond dat het klonk alsof Alvaro met zijn mond vol pap praatte. Alvaro’s pogingen om het Engels onder de knie te krijgen waren bijna lachwekkend, hoewel hij erg zijn best deed, maar hij had andere manieren gevonden om duidelijk te maken wat hij bedoelde. Omdat zijn woordenschat ontoereikend was, communiceerde hij door middel van nadrukkelijke stembuigingen; driftige gebaren; levendige gelaatsuitdrukkingen, en met behulp van zijn griezelig soepele gelaatsspieren vertrok hij zijn elastische huid. Een opgetrokken lip of een oor dat op en neer bewoog was een verhandeling op zich en op deze manier wist hij boodschappen over te brengen die veel genuanceerder waren dan de afgemeten preken van Eugenes vader, om maar wat te noemen. Na enkele weken maakte het niets meer uit dat Alvaro geen woord Engels sprak. Eugene was ervan overtuigd dat hij hem uitstekend begreep. Alvaro’s flexibiliteit beperkte zich niet tot zijn gelaatsspieren. Net als Eugene leek hij veel te klein van stuk voor een verhuizer – hij was schriel, bijna benig – maar de geringe omvang van zijn schouders en bovenarmen werd gecompenseerd door zijn lenigheid. Als hij meubels moest verhuizen, kromde hij zijn lichaam, draaide het, dwong hij zijn gewrichten in een dubbele achterwaartse knik, waarbij hij elke spier in zijn lijf tot het uiterste aanspande. Hij kon een tweezitsbankje sjouwen op zijn staalharde nekspieren, een poef op zijn naar voren gestoken ribbenkast, en zelfs een fauteuil op zijn gekromde tenen, als hij op zijn hielen liep. Hij was gezegend met een lijf als een legpuzzel. Hoewel Eugene geregeld bang was dat zijn vriends ruggengraat het zou begeven, of dat zijn vingers zouden dubbelklappen en op meerdere plekken zouden breken, liep Alvaro nooit ernstige verwondingen op. Maar na een bijzonder inspannende klus voelde hij zijn hele lijf kloppen, niet alleen zijn armen of zijn rug. Al zijn wervels, ribben en buikspieren, zijn bekken, zijn dijspieren, zijn sleutelbeen en zelfs zijn kaken rammelden, een haveloze bende manke huurmoordenaars, die met hamers, beitels en tangen in de hand klaarstonden om de rafelige uiteinden van zijn zenuwen te lijf te gaan. Met een bonte verzameling aan gebaren maakte Alvaro Eugene duidelijk hoe hij hele nachten op en neer strompelde tussen een bad vol ijsklontjes en een bed dat werd verwarmd door een zorgvuldig gerangschikte lappendeken van elektrische warmtekussentjes. Hij mimede ook tranen, voor het verdriet dat hij voelde omdat hij er zo slecht aan toe was. Maar hij verstond zijn vak, en hij had het geld nodig. Hij had een gezin te onderhouden. Toen Alvaro het appartement aan Eugene liet zien, verontschuldigde hij zich voor de sobere inrichting. Hij had al zijn bezittingen tijdens verhuisklussen bij elkaar gescharreld. De voordeur bood toegang tot een diepe, smalle woonkamer, waar alleen een brede pianola en een staande schemerlamp met een oranje kap stonden, en op de parketvloer lag achter de pianola een tweepersoonsmatras geperst. In een hoek bevond zich een keukenblokje, in half voltooide staat, afgebakend door een houten barretje met twee krukken. Uit de afbrokkelende witte steen achter het fornuis staken leidingen. Een deurpost, zonder deur, bood toegang tot de enige slaapkamer, die evenwijdig aan de woonkamer liep en bijna net zo diep was. Dat, begreep Eugene, zou zijn kamer worden. Er lag een tweede matras, een eenpersoonsmatras; op de grond ernaast lag een gekreukt laken, op een hoopje. Alvaro bloosde, schudde het laken uit en legde het over de matras. ‘Ik kan zelf mijn bed wel opmaken,’ zei Eugene. ‘Dat is echt geen punt.’ Het laken zat vol verschoten plekken, als verlepte bloemen; Alvaro streek het met een schuldbewuste blik glad. Eugene stond op het punt zijn boodschap te herhalen, om er zeker van te zijn dat zijn vriend hem begreep, toen Alvaro luidruchtig en ongemakkelijk begon te grinniken. Waaruit Eugene opmaakte dat ze overeenstemming hadden bereikt. Naar later bleek was Alvaro zelden in het appartement. Dat kwam doordat hij nog een ander huis had, in Washington Heights, waar hij met zijn vrouw en hun twee zoontjes woonde. Daar bracht hij het grootste deel van zijn echtelijke uren door – ontbijten, avondeten en slapen – maar als hij oproepdienst had ging hij overdag en in het weekend naar het appartement in Inwood. Meestal had hij dan een verpleegster bij zich, of een secretaresse, of heel soms een doktersassistente – vrouwen uit St. Valentino, het ziekenhuis dat geregeld gebruik maakte van de diensten van Aaronsen en Zoon om apparatuur te verhuizen. Op zondagavond nam hij vaak een prostituee mee naar huis. Eugene had er nog nooit eerder een gezien, in ieder geval niet van zo dichtbij, in zijn eigen huis. Op korte afstand waren ze heel wat minder exotisch, in het flauwe, oranje licht van het appartement. Ze kleedden zich ordinair, maar niet zo overdreven als hij had gedacht (al zei dat misschien vooral iets over Alvaro’s smaak). Ze zagen er niet zo heel veel anders uit dan de secretaresses. Eugene wist meestal wel zo’n beetje wanneer hij Alvaro kon verwachten,zodat hij echt vervelende situaties kon vermijden. Zijn kamer had geen deur en de muren waren schrikbarend dun, maar de tweepersoonsmatras lag aan de andere kant van de woonkamer, waardoor de geluiden beperkt bleven tot gesmoord gekreun en gekraak. Als Eugene zijn koptelefoon opzette was dat enkel en alleen om zich af te sluiten voor de geluiden die het meisje per ongeluk zou kunnen laten ontsnappen. Eugene vond het eigenlijk niet zo erg om ernaar te luisteren – als hij zich heel erg eenzaam voelde, zette hij zijn koptelefoon weleens af – maar meestal weerhielden zijn bescheidenheid en zijn respect voor Alvaro hem ervan zijn vriend te bespioneren. Dat wil zeggen, tot een heldere nacht met volle maan, enkele maanden nadat hij daar was komen wonen. Alvaro had Betty mee naar huis genomen, een Filippijnse verpleegster die Eugene kende uit het St. Valentino-ziekenhuis. Tijdens een nachtdienst in december, toen de ploeg van Eugene en Alvaro drie nieuwe ct-scanners naar binnen had gesjouwd, had zij Eugene een kartonnen bekertje met instant chocolademelk gebracht. De andere verhuizers waren gaan sputteren, maar Betty had gezegd dat ze zich er niet mee moesten bemoeien. Vervolgens had ze haar zachte, in latex gehulde handen tegen Eugenes wangen gelegd en hem een knipoog gegeven. Hoewel de anderen waren gaan fluiten en joelen, was Eugene in de zevende hemel geweest. Deze periode van zelf opgelegde ballingschap was deels bedoeld om een meisje te leren kennen, en dit begon eindelijk ergens op te lijken. Maar hij had Betty nadien nauwelijks meer gezien. Schuchter als hij was durfde hij niet al te nadrukkelijk toenadering te zoeken, en na korte tijd leek ze al een stuk minder begeerlijk. De laatste paar weken had hij van de anderen uit de verhuisploeg gehoord dat ze zich na haar dienst met Alvaro terugtrok in het trappenhuis van het ziekenhuis. Ze kwamen die avond laat thuis, fluisterend en giechelend. Eugene liep op kousenvoeten naar zijn deuropening, precies op het moment dat het stelletje zich op de matras liet vallen. Hij zag alleen de contouren van een onbestemd lichaamsdeel – een rug, of een schouder, of misschien een knie – net boven de piano uitsteken, maar het schuin invallende maanlicht toverde een levendige projectie op de muur. Het was afschuwelijk. Het was net een schaduwpoppenspel van een larf die uit zijn cocon scheurt, de vleugels trillend en spartelend om zich los te maken van het lijf. Eugene begreep al gauw dat hij naar Alvaro keek, gevangen in een of andere onmenselijke kronkeling. Betty’s volle, vlezige lichaam lag onderop, zoveel was duidelijk; ze lag op haar rug, haar heupen iets van de matras getild. Alvaro, lang en gespierd, lag bovenop, met zijn gezicht naar Betty; maar hij had zijn ruggengraat in zo’n onwaarschijnlijke bocht gekromd dat, als hij zijn knieën helemaal doorboog, de topjes van zijn tenen de achterkant van zijn hoofd raakten. Hij had zich achterwaarts gebogen tot een halve hoepel. Zijn onderarmen, die elk aan een kant van Betty’s hoofd op de matras steunden, droegen zijn volle gewicht. Betty’s heupen kwamen iets omhoog om het hem makkelijker te maken. De larf trilde, verloor bijna zijn evenwicht, spande weer alle spieren. Het zag er ongemakkelijk uit. Het zag eruit als een vorm van meditatie. Betty begon te gillen – van opwinding of van angst, dat was niet duidelijk. Eugene sloop haastig terug naar zijn kamer. Hij kroop in bed en merkte dat de lakens zijn lichaamswarmte hadden vastgehouden. Hij rilde, en lachte stilletjes van opluchting. Dat hij in dit appartement woonde, dat hij deze baan had, datalles gaf hem het gevoel dat hij echt vrij was.
|
|
|
|
 |
| |
|
|
FICTIE - BOEKEN - TITELINFORMATIE |
Oorspr. titel: |
The Mayor's Tongue |
Vertaling: |
Nicolette Hoekmeijer
|
Bindwijze: |
Luxe paperback |
|
| |
 |
|
|
|
|
 |
|
|