Hij had een pizza, zij iets lasagneachtigs met gesmolten kaas. Ze waren een jaar of vierenzestig, schat ik. Ze zeiden niets, nou ja, tegen het eind, toen het toetje kwam (voor allebei een ijsje met een parasol), boog zij zich naar hem toe en zei iets. Ik kon niet verstaan wat, maar ik denk dat het over het ijsje ging: misschien was het te koud – of juist niet. Zelf zoek ik in een restaurant altijd het tafeltje uit van waaruit ik het meeste uitzicht heb. Op alles. En met alles bedoel ik vooral de andere eters, het uitzicht op een leuke aanlegsteiger met bootjes, of een schilderachtig dal met twee torenspitsen kan mij gestolen worden. Daarvoor ga je niet naar een restaurant. Mijn vrouw kent mij in dezen veel te goed. Ook is zij veel te aardig. Wanneer aan het bewuste tafeltje de ene stoel uitkijkt op het hele restaurant en de andere op een blinde muur met een stilleven van een vissershaventje, neemt zij genoegen met de blinde muur. ‘Nee, ik weet toch hoe leuk je dat vindt,’ zegt zij, wanneer ik haar, puur voor de vorm, de stoel met het meeste uitzicht aanbied. ‘We kunnen altijd halverwege ruilen,’ zeg ik – ook voor de vorm: we ruilen nooit. Ik kijk naar de anderen. En ik luister. Doorgaans volg ik meer dan één gesprek tegelijk. ‘Niet meteen kijken,’ zeg ik tegen mijn vrouw, ‘maar die vrouw met die enge kale man zit volgens mij te huilen.’ Omdat mijn vrouw Spaans is hebben wij het grote voordeel dat wij in een Nederlands restaurant Spaans kunnen spreken. Niet alleen vinden alle obers en serveersters dit ontzettend leuk (leuker dan Duits in elk geval), maar wij kunnen het zo over de anderen hebben zonder dat die direct begrijpen wat er aan hen mankeert. Het zwijgende echtpaar had water bij het eten besteld. Water! denk ik op zo’n moment woedend. Je zult het ook altijd zien! Het is een onredelijke woede, dat weet ik: dit was een zwijgen dat niet met twee flessen chianti gebroken zou worden. Ze zagen er oud maar gezond uit. Wandelaars, schatte ik ze in. ‘Heb je ze gezien?’ vroeg ik mijn vrouw in het Spaans. ‘Ze zijn nu aan het hoofdgerecht, maar ze zeggen nog altijd niks.’ ‘Ja,’ antwoordde zij met haar rug naar het zwijgende echtpaar toe. ‘Wat verschrikkelijk!’ Zelf kletsten wij ondertussen honderduit. Voelden wij ons daardoor beter dan het zwijgende echtpaar? Voelden wij ons boven het echtpaar verheven, omdat wij elkaar altijd veel te veel te vertellen hebben? Aan de ene kant natuurlijk niet. Maar aan de andere kant heel erg wel. De scheidslijn tussen zwijgende echtparen en de dood is zo dun dat je er niet te lang naar kunt kijken – alleen zo nu en dan in een restaurant, je bent altijd blij als ze hebben afgerekend en vertrekken. Zwijgende echtparen heb je van alle leeftijden. Soms zijn ze nog zo jong dat je je afvraagt hoe dat nou in godsnaam verder moet. Maar eigenlijk weet je het wel: na een tijdje gaan ze scheiden en iemand anders met hun zwijgen vervelen. Het ergst zijn de zwijgende echtparen met kinderen. Er wordt eten besteld, er wordt op het eten gekauwd en daarna wordt het doorgeslikt. Ondertussen wordt er niets gezegd. Een enkele keer vraagt een van de kinderen iets, maar je ziet aan de gezichten van de zwijgende ouders dat zij dit vooral vervelend vinden, lastig, een inbreuk op het in stilte verwerken van het voedsel. Vanavond leggen we ze extra vroeg in bed, zie je ze denken, dan houden ze tenminste eindelijk hun mond. Diep in mijn hart zou ik de zwijgende echtparen liever vandaag dan morgen uit de ouderlijke macht willen ontzetten. Misschien is het helemaal niet statistisch bewezen, maar ik heb het idee dat zwijgende echtparen zwijgende kinderen voortbrengen. Een paar jaar geleden hadden wij zelf kennis aan een zwijgend echtpaar. Met de vrouw van het echtpaar dronk ik soms een glaasje bij haar thuis. Het ging dan eigenlijk best, het praten (met mij wel, kon ik niet nalaten te denken). Bij een van die gelegenheden vertelde zij over een reisje naar Frankrijk dat zij onlangs met haar man had gemaakt. Zonder de kinderen. Niet omdat ze zo’n zin hadden om met zijn tweeën te zijn, maar omdat anderen hadden gezegd dat dat goed voor je relatie was: er even helemaal uit, zonder de kinderen. ‘De eerste avond ging nog wel,’ zei ze. ‘Maar na zo’n eerste avond heb je elkaar wel zo ongeveer alles verteld.’ Ik wilde opeens zo snel mogelijk naar huis; het was of ik uitzicht had gekregen op iets wat ik eigenlijk niet had mogen zien. De dunne scheidslijn misschien, het uitzicht op de dood. Zolang we leven praten we immers door, pas als we dood zijn, zijn we uitgepraat – en houden we eindelijk onze mond. |